Burgemeesters getuige bij hara kiri korpschef

Na een turbulente week werd de positie van de Rotterdamse korpschef Brinkman onhoudbaar. De aanval van burgemeester Peper op de medezeggenschapscultuur bij de politie is vooralsnog vastgelopen.

ROTTERDAM, 6 JUNI. Ongewild pleegde de Rotterdamse korpschef J.W. Brinkman jongstleden maandag hara kiri. Op het Rotterdamse stadhuis waren de burgemeesters van de Rijnmondgemeenten bijeen om het rapport te bespreken van korpsbeheerder A. Peper, dat een einde moest maken aan de crisis bij de Rotterdamse politie. Brinkman was zeer verbolgen over het feit dat hij het rapport pas een half uur voor de vergadering in handen had gekregen, zo meldt één van zijn naaste medewerkers. Hij besloot om onuitgenodigd - wat indruist tegen alle bestuurlijke mores - naar de vergadering van het regionaal college te gaan en liet daar, geïrriteerd, in ronde bewoordingen zijn bezwaren tegen het rapport horen. Brinkman was met name bevreesd dat door de voorgenomen benoeming van een nieuw lid van de korpsleiding, die belast zou worden met het contact met de medezeggenschap, de indruk zou ontstaan dat hij onder curatele werd gesteld.

De verzamelde burgemeesters waren geschokt over Brinkmans tirade. Maar het was een schok die hun ook niet slecht uitkwam. De door Peper aangedragen 'oplossing' - het benoemen van een tweede man - zou in de praktijk tot grote complicaties hebben geleid. Vooralsnog was zo'n nieuwe tweede man niet voorhanden. Het overleg zou voorlopig worden gevoerd door de plaatsvervangend korpsbeheerder, burgemeester M. Jansen van Krimpen aan den IJssel. Als plaatsvervangend korpsbeheerder zou hij in een merkwaardige gezagsverhouding tot het korps zijn komen te staan bij de uitoefening van die taak. In het rapport bleef bovendien onduidelijk hoeveel bevoegdheden de tweede man zou krijgen en wat de eindverantwoordelijkheid van korpschef Brinkman in de praktijk zou inhouden. De kans was groot dat het conflict bij het Rotterdamse korps zou uitmonden in een langdurige slijtageslag tussen korpsleiding en medezeggenschap. Door Brinkmans faux pas werden de burgemeesters van dat toekomstbeeld verlost.

Als Brinkman maandagavond zijn mond had gehouden, was hij nu nog in fuctie geweest. De burgemeesters konden hem nu echter verwijten onvoldoende te luisteren naar het bevoegd gezag. Met zijn stellingname leek Brinkman het moeizaam compromis van Peper - waarmee de bonden NPB, ACP ANPV en de ondernemingsraad, die eind april het vertrouwen in Brinkman opzegden, konden leven - weer op losse schroeven te hebben gezet. Brinkman vroeg bedenktijd, maar heeft nooit gezegd dat het rapport voor hem onaanvaardbaar was. De volgende ochtend, dinsdagochtend, heeft hij Peper al in een gesprek laten weten dat hij zich bij de conclusies uit het rapport zou neerleggen, zo meldt de zegsman in Brinkmans omgeving. Dat gesprek verliep moeizaam. Peper was kwaad omdat Brinkman kritiek had geuit op zijn rapport. Brinkman vertrouwde Peper niet meer, die hij ervan verdacht geheime afspraken te hebben gemaakt met de bonden.

Brinkmans inzicht kwam te laat. Woensdag hield Peper zich de hele dag onbereikbaar voor de korpschef. Gisteren werd in de loop van de dag definitief duidelijk dat hij moest hangen. De voormalige bemiddelaar in het conflict, Jansen, die geldt als een vertrouweling van Peper, zocht toen de publiciteit met de mededeling dat de positie van Brinkman “onhoudbaar” was geworden. Een persverklaring van Brinkman dat hij het rapport “loyaal, zonder mitsen en maren” zou uitvoeren mocht niet meer baten.

Peper zei gisteren het vertrek van Brinkman als “een nederlaag” te ervaren, maar zich overigens goed te voelen. Waar hij eerst geen kans zag om zich te ontdoen van zijn onhandige korpschef, zonder de bonden en ondernemingsraad te veel in de kaart te spelen, bood Brinkman hem die opening onverwachts wel.

Niettemin heeft de uitkomst van het conflict als resultaat dat de positie van bonden en ondernemingsraden bij de politie (ook landelijk) is bestendigd, terwijl Peper aan Brinkman juist de informele opdracht had gegeven de invloed van de medezeggenschap te beperken. Ook de ministers Dijkstal en Sorgdrager (Justitie) hebben zich toentertijd aan de benoeming van Brinkman gecommitteerd vanuit dezelfde gedachte. Ze bereikten het tegenovergestelde.

Peper gaf te kennen wellicht opnieuw een buitenstaander tot korpschef te benoemen. Maar wie durft nog de strijd met de medezeggenschap bij de politie aan te gaan?