Beeldhouwer Mik vertegenwoordigt Nederland op Biennale; 'Soms verbijstert mijn werk me'

De Amsterdamse beeldhouwer Aernout Mik en de Rotterdamse kunstenaar Willem Oorebeek tekenen voor de inrichting van het Nederlandse paviljoen op de 47ste Biennale van Venetië, die op 15 juni opent. Een gesprek met Mik over die biënnale en zijn 'herinneringsbeelden'.

AMSTERDAM, 6 JUNI. Op tafel staat een stukje wand met een paardenstaart. Het haar is donkerblond en golft uit een drager van paars schuimrubber. Dankzij een laag witte lak lijkt de achterkant van het schuimrubber op harde kalk en kan het object doorgaan voor een boek met een echt achterhoofd, de ontdekking van een moord, waarbij de mafia-verklikker niet in het cement maar in het schuimrubber is opgelost.

Het atelier van Aernout Mik (Groningen, 1962) op de KNSM Laan in Amsterdam is het rommelhok van een klusjesman: een badkuip hier, en een paar boormachines in de hoek. Geen meter probeert op kunst te lijken. Alleen dat schuimrubber dus, dat als 'proeflapje' fungeert voor een lichtgewicht muur, die straks, behaard en wel, in het Nederlandse paviljoen van architect Rietveld op z'n minst verwondering moet wekken.

Tot voor kort betekende de Biennale van Venetië 'niets' voor Mik. “Tien jaar geleden ben ik er geweest en ik weet me zelfs niet meer te herinneren welke Nederlandse kunstenaar er toen deelnam. Maar als exposant is het een volstrekt andere ervaring. Venetië blijft een kunstmatige, wonderlijk charmante plek. En binnen die hele Biennale-constellatie vormt dat functionele Nederlandse paviljoen weer een vrijstaat, een moeilijke ruimte, bedoeld voor schilderijen.”

Keer op keer zal in ons gesprek dat woord 'ruimte' zich herhalen. 'Ruimte scheppen is allereerst een nieuwe organisatie van het lichaam in zijn omgeving', zoals Mik eens schreef. “Ik breng ruimtelijke sensaties teweeg om de bestaande ruimte opnieuw te organiseren”, zegt hij nu. “Men heeft het vaak over vervreemding in mijn werk, maar dat is geen doel op zichzelf. Ik ontleen mijn ervaringen aan de werkelijkheid, maar forceer in mijn werk wel een breuk met de bestaande omgeving.” Wat die werkelijkheid betreft, verwees Mik wel eens naar Nietzsche: 'Alles wat bestaat, is het waard om te gronde te gaan.'

Dat laatste zal in Venetië wel meevallen. Middenin het paviljoen wordt tot op borsthoogte een bijna gesloten vierkant opgericht. Daarbinnen schommelt die schuimrubberen wand temidden van filmprojecties. Het daglicht, waar Rietveld geen genoeg van kon krijgen, zal gedempt doordringen. Op de paviljoenwanden, het domein van Willem Oorebeek, verschijnen lichtbeelden.

De finesses laat Mik liever buiten beschouwing: “Ik wil geen schijnduidelijkheid creëren; er mag geen label hangen aan dit werk”. Een van zijn films gaat in elk geval “over de ruimte die een groep mensen inneemt. Geen opsomming van persoonlijkheden, maar een groep die als een lichaam opereert.”

Concreter: het zijn opnamen, gemaakt met fotografe Marjoleine Boonstra, van zowel vechtende, bejaarde mannen als de goudbeurs in Hongkong, waar handelaren in rode, genummerde uniformen, niet hysterisch, zoals op een aandelenbeurs in Tokio of New York, maar wél massaal in beweging komen én in slaap sukkelen. Een mengeling van verveling, spel en opwinding, vertelt Mik. “Bij een goede deal kan men elkaar op een bijna archaïsche wijze aanraken.”

Die fysiek directe of indirecte gewaarwordingen laten zich steeds in Miks vroegere 'sculpturen' thuisbrengen. Hij zette ooit in een container, gestoffeerd met een roze, rubberen vloer, drie toiletpotten en een bak met aardewerk scherven neer. In een bestaand vergadercentrum liet hij zes mensen slapen, terwijl een gekooide familie hamsters van geen slaap wilde weten. En bij galerie Fons Welters in Amsterdam hielden twee gelijnde labradors een bunkerachtig bouwsel in de gaten. De honden sleepten een videoscherm voort waarop hun baas driftig liep te joggen en deze 'allegorie op het wonen' aangevuld met een serie disproportionele voorwerpen.

“Een levend wezen maakt een situatie sterker”, stelt Mik, “en het doorbreekt de verstarring.” Hoe conceptueel ook, het is een misvatting te denken dat de kunstenaar zelf helemaal begrijpt wat hij maakt: “Je loopt mee in een proces en daarom verbijstert mijn werk mezelf ook nog wel eens. Bij die slapers in het vergadercentrum merkte ik hoe ik als niet-slaper volledig werd weggedrukt. Dat had ik niet verwacht. Het bleek een sterk herinneringsbeeld te zijn.

“In deze tijd moeten de dingen onmiddellijk gekwalificeerd of beoordeeld worden. Een onvruchtbare snelheid, want er is tijd nodig om ze te laten bezinken. Televisiekijken is zo'n typische vluchtige bezigheid, gericht op vergeten. Het hoofd kijkt, maar het lichaam en de omgeving doen niet mee. Ik probeer met zwakke, onscherpe elementen een beeld te creëren dat men minder snel vergeet. En daartoe moet een spanning ontstaan tussen het lichaam van de toeschouwer en het realistische beeld, dat in een nieuwe omgeving fictieve en absurdistische proporties kan aannemen.”

Mik studeerde aan de Academie Minerva in Groningen, volgde een jaar Ateliers 63 en nam daarna deel aan onder meer de 21ste Biennale in Sao Paulo, aan Wild Walls, 1995, in het Stedelijk Museum in Amsterdam en aan ID in het Van Abbemuseum in Eindhoven. “Ik ben vooral gevormd door de performance-kunst die ik in de jaren zeventig en tachtig via de media heb meegemaakt. Amerikanen als Chris Burden en Bruce Nauman zijn belangrijk geweest, net als Joseph Beuys. In het werk van mijn tijdgenoten zie ik soms verbanden, soms ook helemaal niet. Ik oriënteer me op mezelf, ik kijk terug naar de opeenvolgende dingen die ik heb gemaakt en dan blijft steeds weer de vraag 'hoe schakel je de ene ervaring aan de andere?' ”.