Abraham's list

Zowat het eerste wat Abraham overkomt als hij vanuit Ur der Chaldeeën naar het land trekt dat God hem wijst is een lege maag. Nog is hij niet gearriveerd in wat later het beloofde land zal heten of er is sprake van hongersnood (Genesis 12).

Blijkbaar was het in Abrahams tijd nog niet 'overvloeiende van melk en honing.' Vanwege die honger trekt hij naar Egypte. Onderweg maakt hij zich zorgen. Stel dat men in Egypte, Sara, zijn huisvrouw aanziende, zal zeggen: “Zie, zij is schoon van uiterlijk, kom laten wij die Abraham ombrengen, dan kunnen wij de weduwe toevoegen aan onze harem.” Daarom bedenkt Abraham een list. Sara moet zeggen dat ze zijn zuster is. Dan loopt hij geen risico. Merkwaardig overigens dat Abraham niet bedenkt dat hij zelf dan wellicht minder risico loopt om ter dood gebracht te worden, maar dat het risico dat zijn 'vrije zuster' wordt afgepakt uiteraard veel groter wordt.

En inderdaad, als Abraham en Sara in Egypte aankomen, nemen de vorsten terstond waar dat Sara schoon van uiterlijk is. In een ommezien wordt ze toegevoegd aan de harem van de Farao. God slaat Farao vervolgens met ongespecificeerde plagen. Abraham wordt geroepen, en Farao toont zich, nadat hij begrepen heeft hoe de vork in de steel zit, terecht verbolgen over het feit dat de aartsvader gelogen heeft dat Sara zijn zuster is. Niettemin mag Abraham zijn vrouw weer meenemen. Of zij door de Farao gepakt is, laat de schrijver van Genesis in het midden.

Het is een fraai, afgerond verhaal. Merkwaardig is evenwel dat vrijwel hetzelfde verhaal nog tweemaal verteld wordt, namelijk in Genesis 20 en, met ten dele nieuwe protagonisten in Genesis 26. In Genesis 20 verkeert Abraham als vreemdeling in Gerar, en warempel, alsof hij niets geleerd heeft van die eerste keer, liegt hij, andermaal bang voor zijn hachje, opnieuw over zijn vrouw: ze is mijn zuster. Vreemd is, om te beginnen, dat hij zo bang blijkt. In Genesis 14 had hij nog, met niets anders dan zijn eigen personeel, maar liefst vier koningen die een monsterverbond hadden gesloten en met een grote legermacht optrokken tegen de koningen van Sodom en Gomorra, 'geslagen en tot Hoba toe nagejaagd'. Dus waarom dan nog bang voor één zo'n koninkje van Gerar? Hoe dan ook, de koning van Gerar, Abimélech, voegt Sara toe aan zijn harem. Wie zich afvraagt waarom Abraham zo oerstom is een list te gebruiken die eerder bijna fatale gevolgen had, kan gemakkelijk over het hoofd zien dat dit verhaal vooral om andere redenen hoogst onwaarschijnlijk moet heten. Was Sara in Egypte nog schoon van uiterlijk, inmiddels is zij hoogbejaard (Genesis 18 vers 11: “Abraham en Sara waren oud en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.” En zo'n hoogbejaard, verschrompeld besje zou de Abimélech aan zijn harem hebben toegevoegd? Enfin, het loopt weer goed af. Eer Abimélech zich aan Sara kan vergrijpen krijgt hij 's nachts van God in een droom te horen dat hij een getrouwde vrouw gekaapt heeft. Uiteraard retourneert hij Sara snel naar Abraham, we mogen aannemen zonder veel spijt over het feit dat hij haar, zoals in Genesis 20 vers 6 staat, niet aangeroerd heeft, want Sara, de menopauze reeds ver voorbij, kan onmogelijk nog erg aantrekkelijk zijn geweest. Je kunt je zelfs afvragen of Sara die eerste keer, in Egypte, nog wel zo mooi was, want als God Abraham in Genesis 12 roept is de aartsvader al vijfenzeventig jaar oud. Is het aannemelijk dat Sara minstens veertig, vijftig jaar jonger is geweest? Als ze eveneens omstreeks vijfenzeventig was, kan ze zelfs bij het verlaten van Ur der Chaldeeën nog nauwelijks erg 'schoon van uiterlijk' zijn geweest.

In Genesis 26 is er - wat gebeurt dat toch vaak, en dat in een land 'overvloeiende van melk en honing'! - opnieuw sprake van hongersnood in het beloofde land. Abraham is inmiddels overleden, maar nu is het zijn zoon Izak die naar Gerar trekt. Als hij daar een tijdje woont, raken de mannen aldaar in zijn vrouw Rebekka geïntereseerd. Ook Rebekka (ze heeft al twee volwassen zoons, dus hoe oud is zij inmiddels?) blijkt 'schoon van uiterlijk' te zijn (Genesis 26 vers 7). Izak vreest derhalve dat men hem omwille van haar zal ombrengen. Hij bedient zich - zo vader, zo zoon - van dezelfde list als Abraham. Hij maakt de mannen van Gerar wijs dat Rebekka zijn zuster is. En dan volgt er zoiets moois in de Statenvertaling! Koning Abimélech, hij weer, kijkt uit het venster en hij zag, dat 'ziet, Izak was jokkende met Rebekka, zijne huisvrouw'.

In de nieuwe vertaling staat dat Isaäk aan het minnekozen was met zijn vrouw Rebekka.

Maar ja, wist ik veel toen mijn vader aan tafel voorlas dat Izak jokkende was met Rebekka, hoe ik dat moest duiden. Daarom begreep ik ook niets van het vervolg. Abimélech laat Izak bij zich komen en verwijt hem dat hij heeft gelogen dat Rebekka zijn zuster is. Hij zegt: “Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uwe huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons gebracht zou hebben.”

Wat moeten wij nu denken van dit merkwaardige verhaal?

Zou het slechts eenmaal in de bijbel voorkomen dan zou je het, weliswaar met enige bedenkingen, misschien nog kunnen accepteren. Bij elke volgende herhaling wordt het echter onwaarschijnlijker. Dat kan aan de auteur, die deze geschiedenis tijdens de Babylonische ballingschap heeft verzonnen, toch ook niet ontgaan zijn?