Uitgaan; Obscure nachtcafés in stiltegebieden

Stappen mag in Rotterdam gerust letterlijk worden opgevat. Wie het nachtleven wil induiken, legt te voet al snel een kilometer of twee af.

WIE VOORZICHTIG kennis wil maken met stappend Rotterdam, kan het beste beginnen aan de Oude Haven, nabij de kubuswoningen en station Blaak. Het U-vormige gebied rond het haventje is feitelijk één groot terras, slechts opgedeeld door parasolletjes met verschillende frisdranklogo's. De duizenden stoeltjes worden gevuld door zakenlieden die de term 'werkstad' vooral mobiel gestalte geven, studenten die hen daarom benijden en vrouwen met hetzelfde permanent als hun hondje.

Toch is het er 's zomers goed toeven. Het uitzicht op het haventje met uitsluitend antieke schepen maakt veel goed. Het meest beschut tegen regen, wind en door drank ingegeven broederschap zit je bij Chaka, een bruine kroeg helemaal op het hoekje, beroemd om haar cocktails en gigantische uitsmijters.

Wie zich liever in de drukte stort, schuift op naar café-restaurant/theater- en concertzaal Plan C. Eigenlijk is alleen het terras de moeite waard. Het is het grootste van de Oude Haven, de bediening is snel en de stoelen zijn ontegenzeggelijk de meest comfortabele aller terrassen.

Echte Rotterdammers mijden de Oude Haven liever. Zij zoeken elkaar op in de cafés aan de Oude Binnenweg in het centrum, zo'n twintig minuten stevig doorstappen vanaf de Oude Haven. Hier zijn twee van de bekendste kroegen van Rotterdam te vinden: Melief-Bender en café Timmer. Rotterdammers van verschillend allooi treuren er om de teloorgang van de haven, het slechte spel van Feyenoord ('maar het blijven kanjers jongens, laten we dat niet over één kam wegscheren') en de laatste verwikkelingen rondom de wankele Erasmusbrug. Een biertje kost hier gewoon een knaak en heeft gegarandeerd een kraag van twee vingers dik.

Net als de meeste cafés sluiten ook die aan de Binnenweg om één uur door de week en een uur later in het weekeinde. De Rotterdammers zijn hierop ingesteld. Een discussie begint al bij binnenkomst rond een uur of zeven 's avonds, ontaardt bijna in een handgemeen om en nabij tien uur, wordt van tien tot elf geblust met kopstootjes (pils met een borreltje ernaast), waarna het gezelschap de laatste uurtjes in omarming en met ferme schouderklappen doorbrengt. De conclusie van elk debat is altijd dezelfde: “D'r mag dan veel aan Rotterdam mankeren, maar mij (hier gaat de vinger in de lucht) krijgen ze er alleen tussen zes planken weg.”

Wie zich aan de Oude Binnenweg een vreemde eend in de bijt voelt, of de fout maakte er een 'Amsterdammertje' te bestellen terwijl een 'vaasje' pils bedoeld wordt, kan terecht op de Nieuwe Binnenweg, in het verlengde van de Oude. Het contrast tussen oud en nieuw zit hem niet alleen in de straatnaam. De cafés zijn nieuwer, evenals het publiek. Dat is tussen de twintig en dertig jaar, zit nu eens niet op de Erasmus Universiteit maar studeert 'kunst', 'muziek' of gewoon 'de filosofie van het leven'.

De Nieuwe Binnenweg is een prettige smeltkroes van velerlei types en evenzoveel cafés. Exotisch en altijd druk is het Surinaamse café-restaurant Sorgh en Hoop (probeer eens een zuurzaksapje!), dat in het eerste jaar van zijn bestaan een van de populairste gelegenheden van Rotterdam werd. Op zaterdagavond klinkt er vooral algemeen beschaafd Nederlands op de drie verdiepingen en nemen meneren hun mevrouwen mee uit naar 'dat grappige tentje met die vrolijke obers'. Op alle andere avonden wordt plat Rotterdams moeiteloos afgewisseld met een Surinaamse tongval en staat de Salsamuziek een streepje luider.

Naast Sorgh en Hoop zit concertzaal Rotown. Voor een paar gulden zie je bands die een jaar later Ahoy' moeiteloos volkrijgen. Wordt er niet gespeeld, dan heeft Rotown wel wat weg van een rommelig grand-café, waar de flipperkast overigens een prominente plaats heeft gekregen. Het Leger des Heils is er een vaste 'klant' en wie niets in de collectebus doet, haalt zich de verontwaardiging van het vaste publiek op de hals.

Op tien minuten loopafstand en na het passeren van Jules Deelder (die best iets wil voordragen als hij maar 'een jonge' krijgt) voor de ingang van café Le Vagabond, zit jazzcafé Dizzy aan de 's-Gravendijkwal. Tussen neonmeisjes met ondergoed dat aan- en uitknippert, valt Dizzy in het straatbeeld een beetje uit de toon. De sfeer is er tamelijk stijfjes, zeker wanneer het personeel zich soms plots ontpopt als Dixieland-liefhebber. Toch moet iedere stapper er eigenlijk even een borrel drinken, al is het maar wegens het gevoel in een besloten clubje in down town Chicago te zijn.

Dizzy sluit stipt om drie uur. Van de 654 bars en cafés in Rotterdam hebben er tweehonderd een nachtvergunning. Slechts een enkel nachtcafé bevindt zich in de bewoonde wereld. Obscure etablissementen in braakliggende straten en de grote discotheken buiten het centrum veroorzaken geen hinder en dus kregen juist zij een ontheffing.

De Blauwe Vis op loopafstand van het Centraal Station, is een uitzondering. In het café-restaurant in de voormalige voetgangerstunnel onder het Weena kan tot vier uur 's nachts gedanst worden op jazz, funk en soul in een sfeer die doet denken aan die van een Berlijnse undergroundclub in de jaren dertig.

De Blauwe Vis is bovengronds even raadselachtig als ondergronds. Wie niet beter weet loopt het kleine glazen hokje voorbij. Het is echter de toegang tot de lange smalle gang vanwaar Marlene Dietrich elk moment het toneel op lijkt te stappen.

Dat 'Rotjeknor gabberstad Numero Uno' is, zoals posters op elektriciteitshuisjes plachten te verzekeren, wordt bewezen in Nighttown, aan de West-Kruiskade. Sinds de sluiting van gabberdiscotheek Parkzicht, wijken veel gladgeschoren jongeren uit naar Nighttown, waar op zaterdagavond tot een uurtje of vijf 's nachts gedanst kan worden. Op vrijdagavond komt onder de titel 'The Future' experimentele muziek aan bod. Wie niet van drukte houdt, denkt dat XTC een aspirientje is en bij 'hakkuh en zaguh' aan bouwwerkzaamheden denkt, kan het tientje entreegeld beter in zijn zak houden.

In het schilderachtige Delfshaven zitten langs het haventje talloze kroegjes die de sluitingstijden niet zo nauw nemen. Hier drinken galeriehouders en antiekverzamelaars een biertje met hun potentiële inbrekers. Types die zich voorstellen als 'Rode Betty' of 'Tante Miep' drukken iedere binnenkomer stevig tegen de borst en vragen om een sneeuwwitje (bier aangelengd met Seven-Up).

In de Witte de Withstraat, overdag dé galerie-straat van Rotterdam, loop je 's nachts de kans vermeende KGB-agenten, dubbelspionnen en Godfathers tegen het lijf te lopen. In cafés als Zatkini en Opa drinken ze hun whisky met langzame teugen, terwijl ze zich verzekeren van een gunstige lichtval op hun littekens.

Stappen in Rotterdam heeft altijd iets onzekers. Wat de ene week nog the place to be is, kan een paar dagen later veranderd zijn in een triest dichtgetimmerd gebouw waar niets nog herinnert aan wilde nachten vol opzwepende muziek. Wie zekerheid wil moet naar Amsterdam gaan, waar het nachtleven afgestemd is op de wensen van de toerist, of gewoon thuisblijven. Biertje naast de bank, voeten op tafel, het hemd open en de mouwen opgestroopt: Rotterdam ten top.