Rotterdammers; Steeds kleuriger en steeds groener

Een multiculturele stad, die niet vergrijst, maar juist een steeds jongere bevolking krijgt, een stad die poogt de elite te binden. Portret van een stadsbevolking tussen bouwputten.

Bronnen: diverse rapporten van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek en het boek 'Rotterdam naar 2005 - Visies vanuit de wetenschap', ISBN 90 391 0724 7, 35 gulden.

ZE ZIJN MEESTAL lager opgeleid dan andere Nederlanders en ze hebben minder te besteden. Ze lezen dikwijls het Algemeen Dagblad en de Libelle. Ze kijken gemiddeld 3,1 uur per dag televisie. Eenzesde van hen is afhankelijk van een uitkering. Lezen scoort het hoogst als favoriete vrijetijdsbesteding. Als ze een attractie opzoeken, is dat meestal de dierentuin Blijdorp. En de helft van hen komt wel eens in een café.

Rotterdammers. Opgegroeid tussen bouwputten en dus levend van de toekomst, van de hoop op beter. Bij gebrek aan een zichtbaar verleden, aan intimiteit, aan plekken in de stad die gevoelens van aanhankelijkheid opwekken. Of het zou de Coolsingel moeten zijn, want die is - volgens de Rotterdammers zelf - het centrum van de stad, samen met het Beursplein en het Binnenwegplein.

De schrijver Bordewijk (Amsterdammer van geboorte), wiens beroemdste roman, Karakter, in Rotterdam was gesitueerd, sprak van “het stiefkind onder onze grote steden”. Niet-Rotterdammers kunnen zich daarbij wel iets voorstellen. Rotterdam is een stad waar je eventueel wel werkt, maar wonen doe je er niet. Niet althans als je hoger opgeleid bent, tot de betere inkomensklasse behoort en een culturele consument bent, dus tot de elite mag worden gerekend. Rotterdam heeft geen spreekwoordelijke grachtengordel. Het is een oud verschijnsel: ook in de vorige eeuw trok de elite uit de stad weg. Liever woonde die in Den Haag of Wassenaar.

Maar er lijken veranderingen op komst. De elite die het er weet uit te houden, begint zich met Rotterdam en het stadsleven te bemoeien. Sommigen van hen gedragen zich aangenaam chauvinistisch. En dat is maar goed ook. Geen stad kan zonder chauvinisme - zonder chauvinisme heerst onverschilligheid. Als de directeur van de prestigieuze boekhandel en een geëngageerde hoogleraar van de Erasmus Universiteit samen in een comité van verontruste binnenstadsbewoners gaan zitten, is dat een hoopvol teken. Het project 'Rotterdam 2005', een poging van het gemeentebestuur de burger bij het wel en wee van zijn stad te betrekken, blijft in dit opzicht niet zonder effect.

Het chauvinisme heerst natuurlijk al wel in het voetbalstadion. Bij Feyenoord is het van een bijzondere soort. Het gaat nu even niet om de harde supporterskern achter het doel - daar gedraagt men zich verbaal en fysiek volgens de internationale regels van het hooliganism - maar om de wat kalmere seizoenkaarthouders van de middenvakken. Hier overheerst de opvatting dat alle scheidsrechters samen met de bondsbestuurders een complot tegen de club hebben gesmeed; elk fluitsignaal dat hun niet bevalt, sterkt deze supporters in hun donkerbruine vermoeden. Zij gedragen zich verongelijkt, op een paradoxale manier argwanend: de argwaan van de plattelander jegens de grote stedeling.

Misschien komt het wel doordat er eigenlijk zo weinig Rotterdammers zijn. Ja, er zijn er wel ruim 590.000, maar niet meer dan 36 procent van hen woont al 25 jaar of langer in Rotterdam - een percentage dat jaarlijks daalt. Rotterdam had altijd aanwas van buiten nodig om zijn inwonertal op peil te houden. Veel Duitsers en Britten in de eerste helft van de negentiende eeuw, veel Zeeuwen en West-Brabanders in de tweede helft. De provincialen vestigden zich veelal op de zuidelijke Maasoever - elders in de stad wordt hier en daar nog altijd snerend gesproken over “die boeren op Zuid”.

Maar de verandering in de bevolkingssamenstelling die zich de laatste jaren aan het voltrekken is, heeft een nog veel ingrijpender karakter dan de migratie in de vorige eeuw. Een kleine 40 procent van de Rotterdamse bevolking kan als allochtoon worden aangeduid. Het gezichtsbepalende deel van de allochtonen, de etnische minderheden, vormen inmiddels al meer dan een kwart van de bevolking. Dat wil zeggen: Rotterdammers van Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse, Turkse, Kaapverdische en noord-mediterraanse afkomst. En aangezien zij zich aanzienlijk enthousiastere deelnemers aan de voortplanting tonen dan de autochtonen zal het aandeel van de etnische minderheden alleen maar groter worden. Volgens de prognoses nemen zij de komende jaren 80 procent van de bevolkingsgroei in Rotterdam voor hun rekening.

Daar waar het om een administratief onderscheid gaat, is dit een tijdelijk verschijnsel. Tenslotte is volgens de definitie iemand autochtoon als hij zelf en zijn beide ouders in Nederland zijn geboren. De derde of vierde generatie kan dus niet meer het stempel allochtoon of etnische minderheid dragen. Maar hoe dan ook: in de praktijk verkleurt Rotterdam - en samen met twee andere ontwikkelingen zal dat niet zonder gevolgen blijven voor het sociaal-culturele klimaat. De ene ontwikkeling is de vergroening. Afwijkend van de rest van Nederland vergrijst Rotterdam niet, maar wordt de bevolking de komende jaren gemiddeld steeds jonger.

De tweede ontwikkeling vloeit voort uit het bouwbeleid. Door veel minder dan vroeger de nadruk te leggen op het bouwen van goedkopere, sociale huurwoningen en nu ook ruimte te geven aan de duurdere koopwoningen hoopt Rotterdam de hoger opgeleiden te lokken of althans de trend tegen te gaan dat zij uit de stad wegtrekken. Bijna ongemerkt komt er toch een grachtengordel in Rotterdam. De inrichting van de stad begint haar identificatiepunten te krijgen.

De import-Rotterdammer prof.dr. H. Galjaard, hoogleraar antropogenetica en fervent uitdrager van de stelling dat alle mensen ongelijk zijn, maakt een onderscheid tussen de Oude Rotterdammer en de Nieuwe Rotterdammer. De alleroudsten hebben twee wereldoorlogen, de crisis en het bombardement meegemaakt en zij denken nog altijd dat Rotterdam behalve havenstad de linkse arbeidersstad van Feijenoord en Spangen is. Zij hebben heimwee naar de jaren van de wederopbouw met hun overzichtelijke normen en waarden. Daarom zijn zo veel Oude Rotterdammers naar de randgemeenten uitgeweken.

De Jonge Rotterdammers hebben geen binding met de stad van vroeger, zijn opgegroeid met allochtone leeftijdsgenoten “en discrimineren minder dan ouderen”, aldus Galjaard, ook al geven zij in enquêtes een negatief oordeel over de veranderde bevolkingssamenstelling en het effect daarvan. Maar dat is, voorspelt Galjaard, een kwestie van onderwijs, opleiding en vooral tijd.

Als die tijd tenminste toereikend is. De gevoelens van onveiligheid in Rotterdam zijn groot. Het stadscentrum krijgt van de Rotterdammers zelf als gemiddeld rapportcijfer een 4 als het gaat om veiligheid in de avond- en nachturen. Vraag Rotterdammers wat zij als de grootste problemen van hun stad zien en zij noemen in ruime meerderheid problemen met de openbare orde en veiligheid. Daarbinnen scoort de overlast van verslaafden weer het hoogst. Rotterdammers laten dat trouwens niet alleen via enquêtes blijken, maar ook door eigenhandig ingrijpen: zie de inspanningen van de bewoners van Spangen om de straat terug te veroveren.

Mogen deze pogingen van eigen richting enkele bedenkelijke kanten hebben, meer in het oog springt toch de betrokkenheid met de eigen stad of stadswijk waarvan zij getuigen. Net als de soms nog schuchtere bemoeienissen van de elite met de stad en haar bestuur.

Rotterdammers? Volgens de historicus prof.dr. J. van Herwaarden zijn het kosmopolieten en eigenheimers naast elkaar. Als bewoners van een grote havenstad mogen zij de rest van de wereld als hun economisch speelterrein beschouwen. Maar nergens in die wereld vind je een mooiere Euromast dan in Rotterdam.