Rotterdammers; Ech wel

Het Rotterdams is een dialect, waarvan vooral de klinkers opvallen. 'Ee' klinkt als eei en 'ei' als ai of aai. En het is geen 'broden', maar brooie.

'Maar jij was er belazerd an toe. Me dochte verdomd da'we je over de valreep mosten zetten. Je was zoo verrot ziek, jô, dat je niet eens wat heb gemerkt van die kok, die ze strot heb afgesneeë. Om je rot te lachen jô. Je weet wel, die kok die we hadde, dat dikke sacherijn. Nou jô, brenge ze me die vent op een dag het hospitaal binne. En bloeie, bloeie! As een stier, jô. Had ie z'n eige in z'n hut met een scheermes z'n strot afgesneeë. Ik knijs het verdomme nou nog net. Een reuze wijf had die vent, jô. Weet je niet meer, dat dikke loeder, dat altijd bij 'um kwam als we thuisgevaren kwame? Een reuze wijf. En dan zel die toch zeker genoeg poen van de provisie gesleept hebbe... We vraten tenminste altijd hetzelfde. ja jô.

Dit fragment is afkomstig uit Zwerftocht door de stad van de Rotterdamse journalist Ben Stroman. Deze proeve van Rotterdams taalgebruik dateert van voor de Tweede Wereldoorlog en klinkt Rotterdammers en overige Nederlanders toch zeer vertrouwd in de oren. Het plat-Rotterdams wordt nog steeds door vele duizenden Rotterdammers gesproken, maar het wordt tegenwoordig door vrijwel niemand meer op schrift gesteld.

Het Rotterdams laat zich alleen nog via eigen luisterproeven in de Maasstad 'beleven'. Iedere donderdagochtend om zeven minuten voor acht gaat de Rotterdamse columniste Carrie op Radio Rijnmond in onvervalst Rotterdams tekeer tegen al het onrecht dat haar wordt aangedaan. Ingewijden weten echter dat het Rotterdams van Carrie slechts pose is. Zij is afkomstig uit een keurig Middennederlands gezin en gebruikt het plat-Rotterdams heel handig als 'stijlmiddel'. De bekende Rotterdamse schrijver Jules Deelder bedient zich in zijn talkshows eveneens een beetje geforceerd van oneigenlijk Rotterdams taalgebruik. Maar zijn Rotterdams wordt meteen door zijn vele fans herkend en, nog belangrijker, gewaardeerd. Een T-shirt dat in Rotterdam opvallend goed verkocht wordt, heeft als tekst: 'Rottûrdam, ech wel!' Kortom, het gaat goed met het Rotterdamse dialect.

Vreemd genoeg zijn er in de loop der tijden amper serieuze studies verricht naar dit dialect. We moeten terug naar 1938. In dat jaar verscheen in het Tijdschrift voor Taal en Letteren een gedegen artikel van dr. L.J. Rogier onder de titel Aantekeningen en correcties op Rotterdamse dialectproeven. Verder verscheen in 1984 bij Veen onder de titel Wat zeggie? azzie val dan leggie! een leuke, vlot geschreven speurtocht naar het dialect van Rotterdam, geschreven door Jan Oudenaarden.

Het Rotterdams dialect heeft vele kanten, maar voor niet-Rotterdammers zijn het vooral de klinkers die opvallen. Rogier schrijft hierover: “Elke é (ee) wordt gediftongeerd (= een tweeklank) tot de klank van het Engelse lazy, to pray, dus: leeive (leven), beeine (benen), geeive (geven), te leein (te leen), kreeich (kreeg). Elke o krijgt de tweeklank van het Engelse so, over, to know. Naarmate de stand daalt, benadert de klank die van de au uit pauw. Dus: arepels pooute, trap nie(d) op me pooute, sloout, booum, geslooute. Elke ei en elke ij klinken als ai of aai, gelijk te stellen met die van het Engelse life, high en five. Voorbeeld: gaait (geit).

Rogier schrijft dat een geboren Rotterdammer van gevorderde leeftijd nog bijna altijd aan zijn ai-klank is te herkennen, “ook als hij tot de hogere standen behoort”.

De Rotterdamse vervoeging van hebben (praes. ind.) klinkt velen ook vertrouwd in de oren: 'k hep, je hep, hij hep, me hebbe (wij hebbe), jullie hebbe, ze hebbe (zullie, hullie, hun hebbe). Vragend: hebbie, hebbu, heptie, hebbe jullie, hebbeze.

Rogier noemt in zijn artikel nog vele voorbeelden van het dialect en hij besluit met: “Hardnekkig Rotterdams is ook bij beschaafden de palatalisering van de intervocalische d: 1. rooie, breeie, dooie; 2. laaie, raaie, betreeie, ankleeie; 3. twee brooie, hoge hoeie, de booie, traptreeie, traproeie, van twee kwaaie et beste kieze. (...) Zelfs nu nog is er bijna geen autochtone Rotterdammer, ook geen jeugdig patriciërszoon, die zichzelf niet onmogelijk stijf vindt als hij zegt: broden, hoeden, traproeden.”