Rotterdam wil andere opzet van stadsprovincie

ROTTERDAM, 5 JUNI. B en W van Rotterdam omschrijven de kabinetsvoorstellen voor een stadsprovincie als “vlees noch vis”. Het college doet in een brief een dringend beroep op het kabinet en de Tweede Kamer de plannen te wijzigen, zodat “het nieuwe grootstedelijke bestuur krachtig en slagvaardig kan gaan opereren”. B en W zeggen de gedachte van een grootstedelijk bestuur nog steeds “van harte te steunen”.

B en W zijn van oordeel dat in het model van het kabinet de stadsprovincie te weinig taken en bevoegdheden krijgt op gebied van uitkeringen en werkgelegenheid, culturele voorzieningen en opvang van thuis- en daklozen. Ook zou het nieuwe, grootstedelijke bestuur onvoldoende macht krijgen onwillige lokale bestuurders af te troeven. Verder voorzien de kabinetsvoorstellen niet in een kiesrecht voor allochtonen zonder Nederlands paspoort.

De bestuurders van de betrokken overige zeventien gemeenten menen dat de kabinetsvoorstellen juist een goede basis vormen voor een stadsprovincie. Het verschil van inzicht heeft geleid tot een scheuring in het bestuur van de samenwerkende gemeenten. De twee Rotterdamse leden, burgemeester A. Peper en wethouder H. Simons, wijzen de voorstellen af. De zes andere leden uit de regio keuren de ideeën goed.

Twee weken geleden schaarden de coalitiepartijen in de Tweede Kamer zich al achter het kabinetsplan, waarover in september een principebesluit wordt genomen. Kamerlid J. Remkes (VVD) reageerde niet verrast op het Rotterdamse standpunt. “Rotterdam heeft liever geen stadsprovincie, maar een grote agglomeratiegemeente. B en W hebben met hun brief een bom onder de plannen gelegd. Ik vind dat Rotterdam er eerlijk voor moet uitkomen dat het geen stadsprovincie meer wil.”

De PvdA spreekt van een “lont in het kruitvat”. Kamerlid J. de Cloe: “Dit is buitengewoon ernstig. Keer op keer hebben wij naar Rotterdam geluisterd en de stadsprovincie slagvaardiger gemaakt. Er ligt nu een mooi akkoord en een besluit onder handbereik en nog is het niet genoeg. Ook ik begin te geloven dat Rotterdam niet meer wil.”