Renes slaat zich met zekere slag door Bruckners Achtste

Concert: Het Gelders Orkest o.l.v. Lawrence Renes. Bruckner, Achtste symfonie. Gehoord: 4/6, De Vereeniging Nijmegen.

De ophanden zijnde wisseling van de wacht bij het Gelders Orkest belooft veel goeds. Vanaf september 1998 zal Lawrence Renes (jaargang 1970) het chefdirigentschap overnemen van Roberto Benzi (jaargang 1937), die na bijna tien jaar zijn leidende functie neerlegt. Renes is iemand die orkesten een forse stoot adrenaline kan geven, technisch zeer onderlegd is en bovendien ook nog staat te trappelen van ambitie.

Nadat hij eerder bij de Reisopera, met het Gelders Orkest in de bak, Mozarts Nozze di Figaro en Verdi's Un ballo in maschera leidde, zal hij hiermee volgend seizoen Wagners Parsifal uitvoeren, en in de toekomst ook nog diens Tristan und Isolde. Wat op papier nogal hoog gegrepen lijkt, zou in de praktijk nog wel eens tot verrassende resultaten kunnen leiden. De symfonie van Wagners geestverwant Bruckner die Renes woensdag in de Nijmeegse Vereeniging bij het Gelders Orkest dirigeerde, wekte in ieder geval hoge verwachtingen. Zonder partituur voor zich, laveerde hij het orkest met zekere slag door de vele polyfone voetangels en klemmen die Bruckners Achtste berucht maken.

Bruckners Achtste - het is niet zo maar een symfonie, maar de 'kroon op de muziek der negentiende eeuw'. Een symfonie van enorme omvang en bezetting die in de vertolking van Renes zo'n tachtig minuten duurde, een lengte die deels te maken heeft met de opmerkelijke editie die werd uitgevoerd. Gespeeld werd de gebruikelijke, herziene versie van de symfonie uit 1890, en niet de verguisde oerversie van 1887. Maar van deze tweede versie prefereert Lawrence Renes kennelijk (evenals trouwens Bernard Haitink) de uitgave die musicoloog Robert Haas eind jaren dertig destilleerde uit verschillende handschriften van de componist.

Tegenwoordig kiezen dirigenten veelal de kortere Nowak-editie, veertig jaar geleden gebaseerd op één belangrijke autograaf, en een uitgave die Bruckners coupures voor de gereviseerde symfonie respecteert. Met de gekozen editie maakte Renes het zich niet eenvoudig. Een grotere lengte vergt immers ook een grotere beheersing van de architectonische vorm. In het eerste deel leek Renes hiermee enige moeite te hebben. Het kruit werd soms luidruchtig vroeg verschoten. Maar vanaf de reprise in het tweede deel (anders dan in het programmaboekje werd gesuggereerd, het scherzo) was de proportionele verdeling goed uitgekiend en werd er met verve in een aangename totaalklank gemusiceerd. Weliswaar werden de olifant geen spitzen ondergebonden, maar Renes behandelde het grote orkestapparaat met souplesse en elegantie. Subtiel lijnenspel en een indrukwekkende opbouw kenmerkten het adagio. Strak geregisseerd en met het grote gebaar sloegen dirigent en orkest zich ten slotte op voorbeeldige wijze door de finale.

De periode-Renes zou wel eens een van de schitterendste uit de geschiedenis van het Gelders Orkest kunnen gaan worden. Nu maar hopen dat hij een tijdje blijft, en niet te vroeg zwicht voor andere prestigieuze aanbiedingen.