Lille heeft voortaan zijn eigen Louvre

De Franse president Chirac opent zaterdag in Lille het verbouwde en heringerichte Palais des Beaux Arts, het op een na grootste museum van Frankrijk. Het 19de-eeuwse gebouw spiegelt zich vorstelijk in zijn nieuwe dependance.

Palais des Beaux Arts, Place de la République, 59000 Lille. Open: ma t/m zo 12-18u; ma 14-18u; di gesloten. Het museum is dicht op 14/7 en 7 en 8/9. Catalogus verkrijgbaar vanaf 7/6.

LILLE, 5 JUNI. Wat jarenlang een stedelijke puist was, presenteert zich nu als het op één na grootste museum van Frankrijk, het culturele lokaas dat de stad Lille (Rijssel) jaarlijks honderdduizenden bezoekers moet bezorgen. Op weg naar de Kanaaltunnel of komende van het Londense Waterloo Station wacht hen het verbouwde en uitgebreide Palais des Beaux Arts, blakend in voorname beige zandsteen. De Franse president Chirac zal het museum, ondanks de nastorm van de verkiezingen, zaterdag te heropenen.

Het neo-classicistische Palais, dat de kunstgeschiedenis van de middeleeuwen tot het bijna heden bestrijkt, troont aan de Place de la République, pal tegenover zijn architectonische pendant, de prefectuur. Alles wat aan muurtjes en hokken sinds 1892 was aangekoekt, is de afgelopen zes jaar opgeruimd. Het gebouw herkreeg zijn licht, volume en basisstructuur, zeggen de twee jonge architecten. Zij gingen niet alleen tien meter de grond in om de gewelven te transformeren tot een strakke, ondergrondse doorgang en tot het schemerige domein van bronzen christussen en Franse altaarstukken uit de 10de en 15de eeuw, ze richtten tegenover het binnenplein ook een dependance op voor tijdelijke tentoonstellingen.

Achter de brede en hoge spiegelwand van die modernistische uitbreiding gaan de zeven meter diepe kantoorruimtes schuil. De zon heeft er van alle kanten vat op, zodat in de vroege ochtenduren elke kaassoort daar zijn smeltpunt al heeft bereikt. Dankzij het dieprode, ritmische streepjespatroon, dat op de gevel is geprint, en het bladgoud op de wandelgang pal achter de glaswand, kan het eigenlijke museum zich nu dag en nacht spiegelen in het heden.

Ondanks die glitter blijft het verleden de baas. De in totaal tachtig miljoen gulden die voor herstel van het Palais zijn uitgetrokken laten zich aan elke schoongepoetste steenbrok aflezen. Tussen de forse zuilengangen ligt het weer opengebroken atrium, dat de Italiaanse arte povera kunstenaar Giulio Paolini met 48 transparante kubussen heeft omzoomd. Andere eigentijdse toevoegingen zijn, aan weerszijden van de entree-zuilengang, twee lampen van honderden, veelkleurige glasplaatjes, die, gevangen in een ijzeren boodschappennet, als volle kerkzakken aan de plafonds bungelen. Ze ontnemen nagenoeg het daglicht aan de door glazen koepels overspannen trappen naar de eerste etage. Een opdringerige ingreep van de Italiaanse kunstenaar Gaetano Pesce; de lampen botsen met de subtiliteit waarmee elders de gewelven, vloeren en zuilen door 'mini-spots' worden bijgelicht.

Lille, de 'Métropole du Nord', mag dan, na nieuwe 'citymarks' van Jean Nouvel en Rem Koolhaas, nu opnieuw zijn verrijkt met een architectonisch monument, de collectie van het Palais des Beaux Arts - 12.000 vierkante meter expositieruimte - moet in het Parijse Louvre natuurlijk zijn meerdere erkennen. Door de zestien veelal Pompeïjaans rood geschilderde zalen van de eerste etage, elk voorzien van kamerbrede daklichten, wandelt men wel langs de vroege en minder vroege Vlaamse, Noordnederlandse, Spaanse en vooral Franse meesters, maar een flink aantal werken van 'kleinere' meesters zou in Parijs de zaal niet op komen.

De schilderijen zijn zowel chronologisch of geografisch als op naam of kleur gerangschikt; van een muurhoge Kruisafneming van Peter Paul Rubens tot de twee hekserige dametjes waarmee Francisco de Goya de ouderdom tot een afschrikwekkende plaag reduceerde; van een kerkinterieur van Emanuel de Witte tot een wandvullende schildering van Puvis de Chavannes, die tussen de bosschages een gezelschap bij ondergaande zon in slaap liet vallen.

Tussen 'namen' als Jordaens, Pieter de Hooch, Veronese, Van Goyen, Ruysdael, Fragonard, David, Courbet en Delacroix, hangen boven en naast elkaar kopieën naar Jeroen Bosch en Brueghel de Oudere, en vele, hier minder bekende 18de- en 19de-eeuwse Franse meesters. Onlangs wist het museum nog een stilleven van Jean-Simeon Chardin in de wacht te slepen; een fles, bord met zilveren beker. Geen hoogtepunt uit dit oeuvre, maar daar staat dan weer een groot en rijk, 16de-eeuws vanitas-stilleven van de Antwerpenaar Jan Sanders van Hemessen tegenover. Je wordt als een ekster zo begerig van zijn knap gepenseelde gouden en zilveren voorwerpen.

Conservator Arnauld Brejon de Lavergnée, 'verliefd' op het 17de-eeuwse jongensportret van Pieter Codde, dient uit hoofde van zijn functie die sterk wisselende kwaliteit alleen maar toe te juichen, en dat doet hij dan ook met verve. Een prettige bijkomstigheid is dat de toeschouwer nu verrassingen riskeert, zoals een vergeten vrouwenportret van Alma Tadema en een reeks intieme, vroeg-19de-eeuwse studies op klein formaat van Louis-Leopold Boilly. In mossige grijzen en groenen portretteerde Boilly steeds met liefdevolle aandacht zijn kunstenaars(-vrienden) zonder in een Biedermeyer-achtige truttigheid te vervallen. De achtergrond rond de personen is onaf, alsof de schilder dat saaie karweitje steeds voor zich uit schoof - tot het niet meer hoefde. En dat gebrek geeft de doekjes een levendigheid die de datering doet vergeten.

Afzonderlijke kabinetten met uitschuifbare toonladen zijn gewijd aan de Italiaanse tekeningencollectie van de 15de tot de 18de eeuw. In 1834 schonk de Franse schilder Jean-Baptiste Wicar (1762-1834) het museum maar liefst 1.300 bladen van onder anderen Rafaël, Donatello, Botticelli en Lippe. Op de begane grond tuurt een gelauwerde Napoleon als veel te grote, bronzen gestalte naar de zaal met voornamelijk 19de-eeuwse sculpturen. De 20ste-eeuwse schilderkunst - Permeke, Braque, Picasso - is een bescheiden deelcollectie vergeleken met de middeleeuwse verzameling in de kelder, die vroeg brons- en aardewerk omvat en gave 15de-eeuwse Franse, Italiaanse en Vlaamse madonna's en altaarstukken. In zijn Val van de Opstandige Engelen liet Dirk Bouts (1410-1475) zijn fantasie zozeer de vrije loop dat zelfs zijn goddeloze tijdgenoten meteen aan het bidden moeten zijn geslagen. In het hellevuur krioelt een horde bloeddorstige beesten, klauwend en bijtend in mensenvoer. De met wellust geschilderde details doen vermoeden dat Bouts zichzelf daar beslist niet terecht zag komen.

Mede dankzij het Louvre beschikt het museum nu over zo'n 2.200 schilderijen, waarvan de helft op zaal te zien is. Maar de vreemdste bruiklenen, uit het Hôtel des Invalides in Parijs, liggen in de donkere catacomben: 18de-eeuwse maquettes voor de artillerie van elk zo'n dertig, veertig vierkante meter waarop steden als Calais, Lille, Tournai en Maastricht gebed zijn in een landelijke leegte van valleien, akkertjes en bospaden. Elke stad leek nog op een zoet, ommuurd dorp en toch wilden de legeraanvoerders tot op de meter hun strategische kansen berekenen. Een oorlog was toen schijnbaar het werk van kwajongens èn modelbouwers.