Kies voor Euregio met Vlaanderen

Nederland en Vlaanderen kunnen hun gezamenlijke belangen het beste behartigen in de vorm van een strategische alliantie, vindt Paul Beugels.

De droom van een tot nieuwe eenheidsstaat 'herenigd' Nederland en Vlaanderen, met achterlating van Wallonië, waarover de Nederlandse hoogleraar en senator A. Postma heeft gesproken, bezit de charme van de eenvoud. Deze tulpenrevolutie hoeft niet bevochten, afgedwongen of geproclameerd te worden, zo is zijn redenering, maar kan het gevolg zijn van de federalisering van de prille bondsstaat België. Wallonië schijnt daar als splijtzwam te werken, al wordt de verfransing van het gewest Brussel als een nog grotere bedreiging gezien. Het zou volgens Postma een geleidelijk maar onomkeerbaar proces zijn, dat vroeg in de volgende eeuw zijn beslag zou krijgen. De staatkundige structuur zou dan vanzelf komen bovendrijven en zelfs de twee koningshuizen zouden niet in gevaar komen.

Wie zijn ideeën zo luchtig presenteert en daarbij zijn argumenten een beetje in de schemer houdt, kan rekenen op een milde ontvangst. Bij Postma's idyllisch perspectief past dat Vlaanderen wordt gekarakteriseerd als “een attractieve bruid”. Holland is de koele bruidegom op klompen met een scherp oog voor de bruidsschat, waarover hij zijn kaken op elkaar houdt. Een soort verstandshuwelijk op latere leeftijd.

Ik ben het met Paul Scheffer eens (NRC Handelsblad, 12 mei) dat Postma's verdienste is dat hij niet al het geschimp en geschamper over zich heeft afgeroepen en uit de hoek is gebleven van Dietsche Bond, Groot-Nederland en andere extreem-nationalistische stromingen. Dat vergroot de kans op een zakelijke discussie.

Zijn tweede verdienste is dat hij de Europese coalitie Nederland-Vlaanderen nadrukkelijker op het politieke podium heeft getild. Met name op en om het Haagse Binnenhof schort het pijnlijk aan een gevoel van verbondenheid en bondgenootschap met Vlaanderen. alle mooi-weer-praatjes ten spijt. In Den Haag is men door een gebrek aan slag- en daadkracht de schaamte en de geloofwaardigheid voorbij.

Voorzover ik uit zijn summiere toelichting in de media kan opmaken, zijn Postma's argumenten niet zozeer gelegen in het herstel van een verre historische verhouding - daar zijn trouwens geen deugdelijke gronden voor - maar in de ontwikkelingen binnen de federale staat België en de naderende Europese Unie.

Ik denk dat de Belgische staat nog te jong is om al na vier jaar zijn einde aan te kondigen. Twijfels over 'het nut van België' bestaan al sinds 1830, maar de staatkundige eenheid tussen Vlaanderen en Wallonië duurt inmiddels 150 jaar langer dan het voormalige Koninkrijk der Nederlanden. De autonomie die Vlaanderen en Wallonië elkaar sinds 1993 hebben toebedeeld heeft hardnekkige Vlaamse separatisten ertoe gebracht om de afscheiding te prediken, aangemoedigd door affaires als Agusta en Dutroux. Herman Suykerbuyk, vice-voorzitter van het Vlaams Parlement, had het onlangs over een gebrek aan Bundestreue van de zijde van Wallonië.

Postma baseert zich ook op het toenemende Franse kapitaal in de Belgische, vooral de Waalse economie. Alsof dat niet een normale ontwikkeling is in het Europa van het vrije verkeer van personen, goederen en kapitaal. In dit verband moet niet onvermeld blijven dat Vlaanderen inmiddels, na Duitsland en Frankrijk, de derde handelspartner van Nederland is. Nederland en Vlaanderen groeien uit tot een stevig economisch kerngebied binnen de Europese Unie. Een meeslepend vooruitzicht, dat ons echter niet hoeft te verleiden tot een verenigde Staat der Nederlanden.

Het onmiskenbare feit dat Nederland en Vlaanderen, met hun rijke verscheidenheid, een levendige taal- en cultuurgemeenschap vormen maakt een dergelijke staat nog niet noodzakelijk of legitiem. Beide landen zijn in staat om binnen de Europese eenwording een eigen, krachtige positie te verwerven als ze een strategische alliantie zouden sluiten op gebieden van gemeenschappelijk belang: economie, infrastructuur, sociaal systeem en in het bijzonder taal en cultuur, al doet Scheffer dit laatste bindmiddel ten onrechte af als “frasen” en “diplomatieke formules”. Of zou hij bedoelen dat Nederland de culturele samenwerking tot nu toe schromelijk veronachtzaamt?

Een strategische alliantie kan kansrijker, vruchtbaarder en houdbaarder zijn dan het moeizaam, tijdrovend en energieverspillend bouwen aan een utopische staat. Het is nogal een gok om te denken dat Vlaanderen, de attractieve bruid, zich door een eventuele onttakeling van België in de armen van Nederland zou storten. Zo trouw is Nederland ook weer niet geweest jegens Vlaanderen. Zonder politieke of morele steun van zijn noordelijke taalgenoten heeft het steeds alleen zijn taalstrijd moeten voeren.

Veel Vlamingen die zich nauw verwant voelen met Nederland en niet gedreven worden door historische sentimenten en politieke retoriek zien - terecht - meer heil in wat de Vlaamse premier Van den Brande “de herstelde werkelijkheid van de Lage Landen” heeft genoemd. Daarin kunnen de sterke punten van beide landen tot gelding komen. In zijn artikel in NRC Handelsblad van 21 mei markeert Van den Brande ze nog eens. Het kunnen speerpunten zijn van een strategische alliantie waaraan een staatkundige eenheid nauwelijks meerwaarde kan geven. Van den Brande bevestigt dat zo'n eenheid niet op de politieke agenda staat.

De vorming van een nieuwe staat zou ook ingaan tegen de onomkeerbare schaalvergroting die de Europese Unie met zich meebrengt. De lidstaten hebben nu al een kwart van hun bevoegdheden overgedragen aan Europa. Zelfs als het sceptici, critici en politici lukt om scherpere grenzen te stellen aan de integratie, wat ik zou toejuichen, dan maken zij nog niet ongedaan dat de Europese ontwikkeling al voor het Verdrag van Maastricht is begonnen en niet zal ophouden bij het Verdrag van Amsterdam. Ook de door Postma gedroomde Staat der Nederlanden zal, zeker in de 21ste eeuw, in de dan uit 25 of meer landen bestaande Unie aan hetzelfde Europees regime onderhevig zijn.

Willen Nederland en Vlaanderen hun gemeenschappelijke belangen in eigen hand houden dan doen zij er wijzer aan hun potenties te smeden tot een bondgenootschap dat de vorm krijgt van een 'Euregio', desgewenst met enkele subregio's. Hoewel dit Europa der Regio's nog in het stadium van bestuurlijke luchtfietserij en de daarbij horende politieke pistetaal verkeert, kan het een breed draagvlak bieden voor de zo bejubelde maar evenzeer bedreigde culturele, sociale en economische verscheidenheid van Europa.

Grensoverschrijdende regio's moeten berusten op de erkenning en versterking van hun regionale identiteit. Als ze dan ook nog een rol kunnen spelen in het grote politieke krachtenveld moeten ze samen het bureaucratisch centralisme kunnen stuiten en de doorzichtigheid en controleerbaarheid van de Unie vergroten. In zo'n omgeving zie ik de Euregio Nederland-Vlaanderen floreren als een sterk span.

Op het oog lijkt dit perspectief misschioen even ver achter de horizon te liggen als de utopie van een Staat der Nederlanden. Maar de kansen van een Euregio zijn toch beter, omdat de regiovorming al politiek en structureel is vastgelegd als de richting waarin de toekomstige Europese Unie moet gaan. Als we daarin onze ideeën, energie en ambities investeren zou de zojuist gekozen voorzitter van het Europese Comité der Regio's een goede rol kunnen spelen: Luc van den Brande, een bondgenoot van het zuiverste gehalte. Hij moet dan wel kunnen rekenen op meer politieke loyaliteit en daadwerkelijke steun van zijn Nederlandse partners. Hij stelt het nu vaak, vriendelijk en diplomatiek als hij is, fraaier voor dan het in werkelijkheid is.