In Liefde Bloeyende

Lukas Rotgans (1653-1710)

Op Narcissus

Narcis zag by geval zich zelven in de beek

En wierdt van liefde door zyn schynbeeldt ingenomen;

Hy dacht den blanken hals t'omhelzen in de stroomen

Den mondt te kussen, die naar zynen mondt geleek:

Uit water wierdt de vlam in zyne ziel geboren.

Een schyn, een zweemsel nam de minnaar voor de zaak

En voedde in zyn gemoedt de droefheit, of 't vermaak.

Dat nooit in wezen was kon 't blaakend hart bekoren.

Dan tradt hy van de bron, maar aanstonts quam hy weêr.

Als hy haar vleide, scheen de schim hem ook te vleien:

En schreide hy om haar, zy scheen om hem te schreien:

Maar rees Narcissus op, dan dook de schaduw neêr.

Al wat beminlyk was, den wellust van zyn leven

Zyn allerhoogste goedt, zyn heil en grootsten schat

En al den rykdom, dien hy in zich zelf bezat

Kon hem een handt vol stof, verbeeldt door 't water, geeven.

Gy raaskalt, jongeling, daar gy op water bouwt;

Dat vloeibaar element zal al uw hoop verslinden:

En 't stof, dat licht vervliegt, gegeesselt van de winden

Aanschouwt gy in de bron, als gy u zelf aanschouwt.

Wat nietig voorwerp heeft uw dwaaze lust verkoren?

De weêrschyn van u zelf heeft uw gezicht verblindt:

Gy vindt niet dat gy zoekt: gy zoekt niet dat gy vindt;

Maar gaat, gemartelt door uw eige schim, verloren.

De tijd is zo'n beetje de enige kwakzalver die heelt. Bij dood en scheiding blijft ons niets anders over dan te zeggen: kom, nieuwe dag. Kom haastig, dag daarop. Waarom is het niet alvast volgend jaar?

Het enige wat met de dood verzoent is routine, vergetelheid - niet zulke malligheden als dat alles doorleeft in het espenblad op de wind en het stomme lieveheersbeestje aan je voeten. Schrale, allerschraalste troost is dat.

Het zwarte water heeft getrild en de waterspiegel sluit zich. Je hebt te wachten tot de rimpels verdwijnen. Meer niet. De rimpels verdwijnen vanzelf. Je hoeft er niets voor te doen.

We worden er ook niet wijzer van, alleen ouder.

Stof is genadeloos voor stof. De natuur heeft geen geweten. De natuur verslindt zonder een dankjewel, zonder zelfs maar een kik te geven.

Gy vindt niet dat gy zoekt: gy zoekt niet dat gy vindt;

Maar gaat, gemartelt door uw eige schim, verloren.

Gemartelt door uw eigen schim... Het vervult je met trots dat een Nederlands dichter dat zo heeft gezegd. Verloren gaan, dat is: ten dode opgeschreven. Maar ook zoveel als: veroordeeld tot de hel. Het is tegen Narcissus dat de dichter dit zegt, na zich vanaf de laatste strofe rechtstreeks tot hem gericht te hebben

Gy raaskalt, jongeling

je bent harstikke gek, jongen, als je nog denkt dat de waterspiegel je iets teruggeeft. Je zult spoorloos worden opgeslokt door het water, dat is: de eeuwigheid. Van stof ben je. Het woord stof komt tweemaal in dit gedicht voor. 'Een handt vol stof'. 'En 't stof, dat licht vervliegt'. Ik benadruk 't maar, omdat wij in onze eeuw het thema van Narcissus en het narcisme te vanzelfsprekend verbinden met eigenliefde en persoonlijke ijdelheid.

Dat aspect ontbreekt niet bij Lukas Rotgans, maar het is in zijn traditie en belevingswereld maar een aspect. Het gaat in zijn eeuw bij het Narcissus-thema voornamelijk om het besef van de tijdelijkheid, om de ijdelheid in de betekenis van vergeefsheid. Een gedicht leeft alleen voort als we het ook door onze eigen ogen nog kunnen lezen en begrijpen, maar soms is het goed een beetje rekening te houden met zulke accentverschillen. Rotgans kende Freud nog niet.

Er bestaan uit de tijd van Rotgans veel Narcissus-gedichten. Bij zo'n traditioneel thema kan de originaliteit en de kracht van een dichter alleen in de taal en de stijl liggen. Als hij een echt dichter is kan hij het oudste en meest herkauwde thema springlevend houden. Voor mij is de Narcissus van Rotgans meer dan een sjabloon uit de literatuurgeschiedenis, het is een Narcissus voor wie we nog altijd, zonder kennis van mythologie of iconologie, iets kunnen voelen.

Now he is green, dry and stained

With the shadow in his mouth

schreef Eliot over de dood van Narcissus. Zo'n tijdloze, tragische Narcissus hebben we ook hier. Gemarteld door zijn eigen schim. Geen Narcissus van droom en schoonheid, maar een Narcissus die aan zijn eigen energie te gronde gaat. We accepteren hem door het dichterschap van Rotgans. Het is een Narcissus met een vlam in zijn ziel, maar ook iemand die kan schreien. Vuur en water. Hij is geen ijdel leeghoofd met 'al den rykdom, dien hy in zich zelf bezat' hij is de slaaf van de stomtoevallige zinsbegoocheling die lichaam heet. Het is de verbeelding ('een handt vol stof, verbeeldt door 't water') die hem van den beginne martelt, want

rees Narcissus op, dan dook de schaduw neêr

- hij moet terugkomen, meteen, aanstonds. Het leven als een deerniswekkende kringloop tot de dood er op volgt. Je vindt niet wat je zoekt en wat je vindt dat zocht je niet. De weerschijn van ons zelf heeft ons gezicht verblind. De dichter zegt het, over de eeuwen heen. Hij zegt het in een mathematische afwisseling van staand en slepend rijm, in eenvoudige, krachtige zinnen zonder één enjambement. Poëzie. Dat is van alle troost misschien de minst schrale.