'Ik eis mijn vader, desnoods met een DNA-test'

Staatssecretaris Schmitz (Justitie) wil het afstammingsrecht wijzigen. Een kind kan bij de rechter 'vaststelling van het vaderschap' afdwingen en de 'bastaard' verdwijnt.

ROTTERDAM, 5 JUNI. Tot zijn zesde dacht George Rab dat hij zijn vader kende. Tot deze hem op zijn kruideniersfiets naar zijn biologische moeder bracht. Rabs 'vader' en 'moeder' bleken pleegouders, nu eiste zijn werkelijke moeder hem op. Aan de buitenwereld introduceerde zij hem als zomaar een tehuiskind, dat zij soms uit goedertierenheid in haar gezin opnam. Maar binnenshuis noemden zijn grootouders hem 'de bastaard' en werd hij mishandeld. In de vakanties moest hij komen 'om klusjes op te knappen'. De rest van het jaar bracht Rab tot zijn negentiende in tehuizen door. Wie zijn echte vader was kreeg hij niet te horen.

Rab, een pseudoniem, is nu 51 of 52 jaar oud. Als er verkiezingen zijn stuurt hij zijn oproepkaart altijd terug onder vermelding van 'gegevens onjuist'. Volgens zijn geboorteakte is hij op 12 juni 1945 in tehuis 'Kindervreugd' te Velp geboren. Maar zolang Rab niet door zijn biologische vader is erkend, weigert hij dat aan te nemen. “Al besluit je zelf het verleden te laten rusten, je moet op allerlei formulieren invullen waar en wanneer je geboren bent. De maatschappij eist dat je weet wie je ouders zijn, maar geeft je tegelijkertijd het recht niet je ouders te kennen.”

In het Internationale verdrag inzake de Rechten van het Kind is vastgesteld dat ieder kind het recht heeft te weten van wie hij afstamt. Maar het Nederlandse recht kent tot nu toe slechts beperkte mogelijkheden om juridisch vaderschap tegen de wil van de man vast te stellen.

Onlangs besprak de Kamer een voorstel tot herziening van het afstammingsrecht van staatssecretaris Schmitz (Justitie). Die kan daarin verandering brengen. Met de wetswijziging zouden 'bastaarden', althans op papier, verdwijnen: de termen wettig, onwettig en natuurlijk kind vervallen. Daarvoor in de plaats komt 'het al dan niet in familierechtelijke betrekking staan tot de ouder'. Volgens het wetsvoorstel krijgen kinderen, voortaan ook als de vader al is overleden, de mogelijkheid tot 'gerechtelijke vaststelling van het vaderschap'. Een vader hoeft zijn kind niet meer noodzakelijk te erkennen: een kind kan van de rechter de erkenning krijgen dat een bepaalde man zijn vader is. Zo krijgt eerder de status van een vader, dan die van het kind de nadruk.

In de praktijk kan het wetsvoorstel bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat de onlangs buitenechtelijk geboren zoon van prins Carlos later alsnog vaststelling van het vaderschap afdwingt. Ook zou deze Carlos Hugo Roderik Sybren Klynstra volgens Schmitz' wetsvoorstel dezelfde erfrechtelijke aanspraken kunnen maken als de eventuele legitieme telgen van prins Carlos. Indien nodig zou de rechter zijn vader bovendien kunnen verplichten bij te dragen in zijn onderhoud. Maar de achternaam van zijn vader zou Carlos jr. niet noodzakelijk krijgen; volgens het wetsvoorstel behoudt een kind de naam van zijn moeder.

Vaderschap kan volgens de voorgestelde wetswijziging worden vastgesteld bij mannen die hebben ingestemd met 'een daad die verwekking tot gevolg heeft'. Dat geldt dus ook voor onvruchtbare mannen die toestemden in kunstmatige bevruchting of geslachtsgemeenschap van de moeder met een andere man. Zij kunnen zich, mochten ze spijt krijgen, later niet meer als vader terugtrekken. Voor alle andere vaders geldt dat tot gerechtelijke vaststelling van hun vaderschap kan worden beslist als ze de verwekker zijn van het kind. Om dat laatste vast te stellen kan een rechter een DNA-onderzoek bevelen - ook dat is nieuw in het wetsvoorstel. Mocht de vader toch weigeren (volgens artikel 11 van de Grondwet is een dergelijke test in strijd met de lichamelijke integriteit), dan kan de rechter daaraan 'de conclusie verbinden die hij geraden oordeelt'. En de weigering met andere woorden opvatten als een bevestiging van de verwekking.

Maar verwekkers zijn niet zelden moeilijk op te sporen. René Hoksbergen, hoogleraar adoptie in Utrecht, schat het aantal kinderen dat in Nederland op zoek is naar een vader “inclusief adoptiekinderen, kinderen van spermadonoren en kinderen-van-de-melkboer” op ruim tienduizend. Spermadonorkinderen kunnen de identiteit van hun vader vooralsnog niet opeisen: een wetsontwerp om donoren hun anonimiteit te ontnemen werd ingetrokken toen een tekort aan sperma ontstond. Andere kinderen, zoals George Rab, speuren soms bijna hun hele leven zonder resultaat. Rab zocht 35 jaar en begon uiteindelijk een civiele procedure tegen zijn moeder, omdat zij de identiteit van zijn vader niet wilde prijsgeven. De rechtbank stelde dat zij alle informatie over Rabs vader moest verstrekken, maar wees zijn eis tot een dwangsom af - en de moeder bleef zwijgen.

Dankzij familieleden van zijn moeder ontdekte Rab dat zijn vader niet 'een Tsjech' was, zoals zijn moeder zei, maar gewoon een Nederlander. Rab zocht hem op: “Hij zei: 'Je mag binnenkomen, maar ik zal nooit toegeven dat ik je vader ben als je moeder niets toegeeft'.” Wat betreft erkenning van zijn eigen vader, heeft Rab inmiddels opgegeven: “Ik heb nu zelf een gezin, waar alles jarenlang in het teken van mijn onvindbare vader heeft gestaan. Ik wil ze niet langer de dupe laten zijn”. Al zou hij het vaderschap van zijn verwekker gerechtelijk kunnen laten vaststellen - hij zou het niet meer doen.

“Ik wel, ik zal hem dwingen”, zegt Marianne Smit-Monrie (51). Bij gebrek aan een vader heeft ze haar tweede achternaam zelf bedacht. “Monrie, naar mijn kinderen Monique en Richard.” Ze werd geboren in huize Moederheil in Breda, waar ongehuwde zwangere meisjes kort na de oorlog een kind ter wereld konden brengen. Pas in 1994 kregen kinderen uit Moederheil inzage in hun geboortedossiers om te achterhalen wie hun vader is. Dat bepaalde de Hoge Raad toen in de 'Valkenhorstzaak', op basis van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Maar op de geboorteakte van Smit-Monrie stond 'vader onbekend', met de voor onwettige kinderen destijds gebruikelijke aantekening 'toevallig geboren'. En haar moeder liet niets los. Ook zij kreeg geen dwangsom opgelegd. Smit-Monrie heeft inmiddels het televisieprogramma 'Spoorloos' ingeschakeld om haar vader terug te vinden. “Ik eis mijn vader, desnoods met een DNA-test om het te bewijzen.”

“De drang te zien van wie ze afstammen kan heel groot zijn”, zegt Hoksbergen. “Maar dwang? Een kind is vaak heel voorzichtig met die onbekende ouder. Het wil die niet kwetsen.”

Henk (48), verwekt en geboren in voormalig Nederlands Indië, vond zijn vader na dertig jaar in Nederland. Deze was inmiddels getrouwd en had nog vijf kinderen. Hun moeder eiste dat het bestaan van Henk voor hen geheim bleef. Henk zag zijn vader stiekem op een camping in de buurt van diens woonplaats. “Ik wilde graag door hem worden erkend, maar zijn vrouw vond het niet goed. Ik vind wel dat je je vader mag opeisen. Mijn stiefvader heeft me ten opzichte van zijn eigen kinderen altijd als inferieur behandeld - alleen erkenning van mijn eigen vader had dat kunnen goedmaken. Zodat je weet: en toch bén ik iemand. Maar een vader heeft ook een eigen leven. Daar moet je rekening mee houden. Ik wilde niet gaan stoken in dat gezin.”

Daarom wil hij zijn achternaam niet in de krant. Ook al werd hem vier jaar geleden pas na weken verteld dat zijn vader aan een hartstilstand was overleden.