Geen tijd meer om terug te kijken

De regisseur met de snor en het donkere haar had een leren jack, een polstas en een zakje met tabak. De meeste indruk maakte zijn bandopnameapparaat. Daarmee registreerde hij wat mijn broer en ik - leeftijd eind lagere school - zeiden als hij vroeg: Hoe ziet God eruit; wat is moderne kunst; wat lees je in de krant? Af en toe lachte hij om onze serieuze antwoorden.

Toen hij de band terugdraaide klonk mijn eigen stem veel hoger, maar die onbedaarlijke lach was precies dezelfde. Twee weken later zaten we onder grote lampen in een met bordpapier afgeplakte rondvaartboot. Naast de camera die donkere man met dat jack. We antwoordden, bedachtzaam en openhartig. Want al had hij onze vader kunnen zijn, hij was eigenlijk net zo'n jongen als mijn broer en ik.

Twintig jaar later stelde ik de vragen, voor een portret in de Haagse Post. Jan Vrijman was grijs, maar nog net zo vlegelachtig. Hij wees naar de muur van zijn kantoor. Daar hing een groot doek met letters en klodders en een rechthoekig gat erin. Door die opening stak hij zijn cameralens, vertelde hij, om de schilderende Karel Appel te filmen. Ik kende het verhaal; ik had mij verdiept in zijn wonderlijke oeuvre, van de drie romans die hij schreef tot en met zijn documentaire over Philips.

“Ik ben niet zo terugkijkerig”, had hij gewaarschuwd. Steeds opnieuw begonnen, nooit stilgestaan bij de successen of het tumult dat hij veroorzaakte. Maar wel alle knipsels in plakboeken verzameld. Hij ging mij voor naar zijn woning boven het productiekantoor. “Het bed is niet opgemaakt, maar de vrouwen zijn eruit.” Onbedaarlijke lach. Toen begon hij te vertellen: over zijn moeder die hem de journalistiek afraadde “want dat is niks voor ons soort mensen”, over de bezetting die hij als een bevrijding ervoer, zijn omhelzing en verwerping van het communisme en zijn liederlijke jaren na de oorlog. Om tenslotte toch in de journalistiek te belanden. “Als journalist zit je veilig op de tribune en schiet je op de clowns in de piste.”

Vrijman was behalve verslaggever van zijn tijd ook voorloper. Hij veroorzaakte, ver voor de VPRO eind jaren zestig daarop het patent kreeg, de eerste televisierellen. De film Identity uit 1970 kan worden beschouwd als de geboorte van het 'docudrama'. Voor reportages riep hij als eerste per advertentie slachtoffers van huwelijks- of burenruzies op. En hij was de grondlegger van het 'alledaags' filmen van vrijmoedig vertellende vrijgezellen, dagjesmensen, geloofsfanaten of kinderen.

“Autoriteiten en officiële personen zijn niet geheimzinnig”, vond hij. De taboedoorbrekende arbeidersjongen wilde in diepste wezen onderwijzer zijn. De mens verheffen, zolang er maar een goed glas bij werd geserveerd. Jan hield er, wat de statisticus noemt een hoge 'standaarddeviatie' op na: iets was òf geweldig, òf echt helemaal niks.

In een gesprek met Jan Vrijman verschoof er altijd iets. Hij had zojuist een absoluut geniaal filmtalent ontdekt, noemde een boek fantástisch of had net een gewéldige tentoonstelling gezien. Hij hield permanent bij wat er gaande was en zette zich met al zijn kracht in voor wat hij als waardevol beschouwde. Zijn bezoek aan een Brecht-uitvoering in het Amsterdamse bos, waar ik hem in euforische staat ontmoette, leidde tot een persoonlijke actie om het Openluchttheater in stand te houden.

Ik herinner mij ook flarden van gesprekken over zijn zoon die aan de drugs ten onder ging en over de bohème en het werk dat al zijn aandacht vergde, waardoor hij, tot zijn verdriet, jarenlang geen tijd had voor vrouw en kinderen.

Een paar jaar geleden bespraken we met de directeur van het Amsterdamse filmfestival (IDFA) dat Vrijman had opgezet, de plannen voor een documentaire over zijn oeuvre. Hij zou zich daar ten volle voor inzetten, al was het maar om zijn bijna vijftig films voor volgende generaties toegankelijk te maken. Toen de documentaire enige tijd later weer ter sprake kwam, maakte hij een afwerend gebaar: geen tijd meer om terug te kijken.

Vandaag is Jan Vrijman in Driehuis gecremeerd.