Europese integratie

Een Nederlands debat over de Europese integratie wordt óf niet gevoerd, óf staat op zo'n laag peil dat er eigenlijk ook niet sprake is van een echt debat. Een mooie illustratie voor deze stelling vormen de bijdragen van het Tweede-Kamerlid Van den Bos en het lid van het Europees parlement Wijsenbeek (NRC Handelsblad 20 en 27 mei).

De beide heren reageren op het manifest dat door een Europa-forum voor democratie is gepubliceerd. Een eerste punt van kritiek is dat dit forum zo'n heterogeen gezelschap herbergt. Dat is nu net het aardige zou ik zeggen; het forum gaat van 'God, Nederland en Oranje' via de VVD naar dissident-PvdA en SP. Wat is er merkwaardig aan het feit dat men vanuit verschillend gezichtspunt een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling negatief beoordeelt? Gemeenschappelijk hebben de deelnemers aan het forum de zorg om de democratie. En die zorg is niet nieuw. Mijn kritiek op het Europese integratieproces betreft juist het sinds jaar en dag ontbreken van democratie en sociaal-democratie. In dat opzicht ben ik - vind ik zelf en tot mijn grote ongenoegen - zo langzamerhand een eur-zeur geworden. Maar zo langzamerhand komen ook anderen tot het inzicht dat de ontwikkelingen niet de goede kant uitgaan. Het democratisch gat is jarenlang taboe geweest.

Kernpunt is mijns inziens dat gekozen is voor een monetaire unie als beginpunt naar een economische en algemeen politieke unie, terwijl een juiste beslissing zou zijn geweest de monetaire unie te zien als sluitstuk van een algemeen politiek integratieproces. Maar, Europa wordt binnen afzienbare tijd geen federatief verband; Europa is - zoals het Hof in Karlsruhe enige tijd geleden uitsprak - een verbond van staten. De Europese samenwerking was vlak na de Tweede Wereldoorlog gebouwd op de angsten van het verleden. Terecht werd na deze ongekende ramp voor miljoenen mensen gedacht dat Duitsland - te beginnen met de zware industrie - ingebed moest worden in Europa; wat later werd datzelfde gedacht voor de hele economie. Maar bij dit laatste werd al meteen de markt op een voetstuk geplaatst en zette de teloorgang van de overheid op Europees niveau in. Het gaat wat ver om te spreken van een markt zonder staat, maar toch is deze kenschets van de Europese situatie in de kern juist. Mijn voorstel is om niets op een voetstuk te plaatsen: zowel de overheid niet als de markt. Maar wel dienen de beslissingen voor het gemenebest genomen te worden door vertegenwoordigers van de bevolking. In laatste instantie dienen gekozen vertegenwoordigers het voor het zeggen te hebben, met daarbij ter handhaving van de spelregels een onafhankelijke rechterlijke macht. Markten behoeven de sterke arm van de overheid; ontbreekt die, dan ontstaan zeer gevaarlijke oncontroleerbare machtsconcentraties.