Een gevoel van overbodigheid

Ooit, vermoedelijk honderd jaar geleden, heeft iemand het bedacht. Een journalistieke vernieuwing van belang, New Journalism eigenlijk.

“Als we eens een serie begonnen, met vijf vragen aan bekende mensen”.

“Fantastische idee. Steeds dezelfde vragen?”

“In principe wel, dat geeft een soort continuïteit. Maar het kunnen ook verschillende vragen zijn, afhankelijk van de persoon die we vragen.”

Zo werd een nieuwe krantentechniek geboren. Vijf vragen aan honderd mensen is vijfhonderd vragen waarvan je er maar vijf hoeft te bedenken. Overzichtelijk voor de lezer en comfortabel voor de journalist. Die hoeft niet echt te weten wie hij voor zich heeft, of wat de geïnterviewde in zijn leven heeft afgezwoegd.

En er zijn geen problemen met de compositie van het artikel. Voor veel schrijvers slaat het writer's block al toe bij de eerste zin, of voor de eerste zin. Zij kijken naar de witte muur en denken: Beginnen met een citaat of met een sfeerbeschrijving? Met een teaser of met een fanfare? Bescheiden aankloppen of binnenstormen?

Ik ken schrijvers die uren, dagen nadenken over de eerste zin. In de tijd van de schrijfmachine lag de vloer rond hun bureau vol met verkreukelde proppen papier. Een kerkhof van variaties op één beginzin: 'De vraag of het culturele peil van de massa...' 'Dat intellectuelen het culturele peil van de massa...' 'Shaw, Huxley, Pound, Woolf, Lawrence deelden een afschuw voor de massacultuur...' En zo voort, totdat de auteur in het harde ochtendlicht door een binnenzee van proppen naar zijn bed strompelt: te veel mogelijkheden.

De vijf-vragen-techniek lost al die problemen in één keer op. Nu is vijf vragen niet veel, we zijn al een eeuw verder. Dus soms worden het er tien, of vijfentwintig. HP/De Tijd stelt zelfs honderd vragen aan bekende Nederlanders, in dit geval aan Johan van Stekelenburg. Nu is de nieuwe burgemeester van Tilburg een verstandige man, maar hij is de laatste tijd erg vaak ondervraagd en ook de rijkste bron valt wel eens droog.

Het helpt niet echt dat interviewer Tom Kellerhuis sjoemelt met die honderd vragen (ik tel er 95) en ook kleine handigheidjes als 'Echt niet?' meetelt. Het is te veel, te springerig, en de techniek werkt helemaal niet bij een door alle journalistieke wateren gewassen rot als Stekelenburg. Wat rest is een gevoel van overbodigheid.

Datzelfde gevoel onstaat bij interviews met Rob de Nijs (De Groene), Floris Jan Bovelander (VN), ex-danseres Alexandra Radius (VN) of Loek Brons (drs, in HP). Dat laatste is in 29 vragen, zoals: 'Hoeveel macht heeft u?' Antwoord: 'Zeer weinig'.

Volgens welke criteria al deze mensen zijn geselecteerd wordt niet duidelijk. De één heeft uitstekend hockey gespeeld, de ander prachtig gedanst, De Nijs zong mooi en doet dat nog, Brons heeft textiel verkocht en nu schilderijen. Het is waar, weekbladen verslinden Bekende Personen zoals revoluties hun vaders, maar soms moet men beroemdheden vergetelheid gunnen.

Te meer daar er werk aan de winkel is, de Eurotop van volgende week, bijvoorbeeld.

De Groene ziet er een komisch verhaal in over de veiligheidsmaatregelen rond het redactiekantoor, waar tegenover toevallig de Nederlandse Bank staat. Het blad onthult dat de kamer van ex-hoofdredacteur Martin van Amerongen uitkijkt op dit kapitalistische bastion, een opmerkelijke vorm van masochisme.

Elsevier presenteert een heel dossier over de Europese top, bijna 20 pagina's. Een serieus werkstuk zoals dat hoort in de divisie nieuws-weekbladen, met veel didactisch werk, statistieken en andere grafische hulpmiddelen. Het aardigste van de hele euro-discussie lijkt nog steeds dat landen die hun begroting verslonzen een boete krijgen. De Italianen zijn daar erg van geschrokken.