Duivesteijn 'vergeet' architectuurbeleid

Duivesteijn ontkent in zijn reactie het bestaan van staatsarchitectuur (NRC Handelsblad, 22 mei). Hij gaat daarbij nauwelijks in op mijn betoog, maar creëert wel enkele blinde vlekken om ruimte te maken voor een van zijn eigen stokpaarden: het overbodige instituut van woningbouwcorporaties.

Wat in het 'wilde wonen'-betoog centraal staat, is dat de Nederlandse architectuur van deze eeuw, als gevolg van de centrale positie die de verzorgende overheid bij de productie hiervan inneemt, als staatsarchitectuur moet worden gekarakteriseerd. Deze speelt zich af in formele stedebouw waarin de massawoningbouw met haar kenmerkende collectieve woonvormen van rijtjeshuizen tot galerijflats wèl, maar informele woonvormen zoals vrijstaande zelfbouw woningtypes, permanent bewoonde stacaravans en ongerichte losse superluxe hoogbouw géén ruimte gegund worden.

Een staatscultuur waarin woningcorporaties en projectontwikkelaarse bemiddelen tussen individu en overheid en waar sprake is van centralistische beeldregie. Woningcorporaties zijn net als ziekenhuizen, staatsinstellingen. Na de privatisering is hun positie nog niet principieel aan de orde geweest. Een cultuur die, zoals Duivesteijn constateerde, “het vormgeven aan eigen wonen, een wezenlijke cultuurdaad, in de weg staat”.

Maar dat dit planningsinstrumentarium niet alleen bestaat uit instituten, regelgeving, subsidies en plannen, maar in toenemende mate ook uit dirigistisch architectuurbeleid, daar ging hij aan voorbij. Het maakt niet uit waar dit architectuurbeleid zich afspeelt: dorp, deelgemeente, stad, provincie, rijk, overheid is het. Een poging tot deregulering, het 'Bouwbesluit', werd gevolgd door de nota 'Ruimte voor Architectuur' waarmee een fanatiek architectuurbeleid werd ingevoerd. Het welstandstoezicht werd welstandszorg, het Stimuleringsfonds voor Architectuur, Architectuur Lokaal met rondtrekkende kwaliteitsbrigades, qualityteams, coördinatoren, supervisors, beeldkwaliteitplannen, architectenlijstjes en het Architectuurplatform van het Rijk, zagen sindsdien het daglicht.

Organisaties die bedacht werden als onschuldige werkgelegenheid voor gedumpte rijksambtenaren voeren nu in naam van de staat een esthetische terreur uit. De architectuur houdt onder de noemer 'kwaliteit' het kenmerk van een staatsproduct waarbij het bouwen als cultuurdaad van individuen op een vrije markt geen ruimte wordt geboden. De overheersende opvatting hierbij is dat de visuele samenhang, homogeniteit en monotonie in onze steden, dit sublieme produkt van honderd jaar staatszorg, een kwaliteit is die onder geen voorwaarde mag worden verstoord. Dat hierbij de visie stoort, dat vorm en beeld van de leefomgeving het onbemiddeld en ongeregisseerd resultaat zou moeten zijn van individueel bouwen, is niet verwonderlijk.