Cultuur; Tussen musicus en baal tabak

Knus is het niet, maar het leeft. Rotterdam, culturele stad met een zwakke stadscultuur.

WIE ANNO 1997 in de avonduren een kanon afschiet in het centrum van Rotterdam kan wel degelijk slachtoffers maken. Fitness-liefhebbers fietsen in de etalage boven de Baja Beach Club, bioscoop- en theatergangers galmen over de metalen platen van het nieuwe Schouwburgplein en op elke hoek staan junkies hun straatkranten uit te venten. Knus is het niet, maar het leeft.

Bijna zestig jaar na het bombardement heeft Rotterdam weer een stadscentrum. Het staat nog in de kinderschoenen. Alles ligt iets te ver uiteen, is iets te fragmentarisch. Bruisen doet het niet zeven dagen per week. Er is een groot verschil tussen een doordeweekse voorstelling in de nieuwe megabioscoop aan het Schouwburgplein en het weekeinde. Vrijdag en zaterdag puilen de zalen uit, door de week kan men - zo men wil - onbespied de liefde bedrijven op de eerste rij. Een ijdele klasse heeft Rotterdam tegenwoordig in overvloed, maar die is moeilijk tot uitgaan te bewegen buiten de stamkroeg in de eigen wijk.

Rotterdam, werkstad, laat zich drijven door nut; cultuur zou aan de stad verspild zijn. “Als hier een musicus en een baal tabak in het water vallen, redden de Rotterdammers de baal tabak”, liet een dirigent zich eens ontvallen. Aan de gemeente ligt dat niet. Sinds de jaren zeventig investeert die met enige verbetenheid in cultuur. Aanvankelijk in het kader van de volksverheffing en gezelligheid, daarna omdat cultuur een belangrijke 'vestigingsfactor' zou vormen.

Met de culturele hardware zit het nu wel goed. Rotterdam heeft zijn achterstand in voortvarend tempo ingelopen. In korte tijd verschenen het Maritiem Museum, een paviljoen voor museum Boijmans van Beuningen, de Kunsthal, het Nederlands Foto Instituut, het Nederlands Architectuur Instituut en een megabioscoop. De Museumdriehoek werd afgemaakt met het Museumpark. Volkskroegen kregen gezelschap van grand-cafés, met als apotheose hotel New York. Naast de Kuip en Ahoy' kwamen er kleinere zalen, zoals Nighttown, waar experimentele muziek een kans krijgt.

De bouwdrift is nog niet voorbij. Er komt een nieuw theater Luxor op de Kop van Zuid, een megabioscoop op het Piet Smit-terrein, een exotische festivalmarkt voor multicultureel vermaak, een centrum voor experimentele muziek, een filmstudio, een nieuwe uitbreiding van Boijmans van Beuningen.

Wat je Rotterdam kunt verwijten, is dat het blijft steken bij hardware. Is een landmark eenmaal opgericht, dan laat men het aan zijn lot over en spoedt zich amechtig naar het volgende project. Voorbeelden te over. De kubuswoningen van het Blaakse bosje schilferen weg door betonrot. De Lijnbaan kwam nooit tot leven. De Euromast verviel tot een slonzige attractie, al gaat het inmiddels iets beter. Het nieuwe Schouwburgplein is te haastig en te goedkoop gemaakt, waardoor de groene epoxylaag een golvende serie waterplassen is en de houtlaag nog voor de opening al grijs is uitgeslagen.

In een gedenkboek over gemeentelijke voorlichting schreef Ivo Blom een relaas over de ondergang van zijn centrum Het Nieuwe Rotterdam aan de Leuvehaven, waar de bezoeker moest zien dat Rotterdammers niet alleen werken, maar ook heel fijn wonen en leuk uitgaan. Van die voornemens bleef slechts een stadsmaquette over, de rest van het gebouw kwam leeg te staan. “We verhuisden naar de bovenste verdieping, waar we samen met StadsTV en een TV-café verder gingen”, schrijft Blom. “StadsTV ging failliet. Het TV-café had geen reden van bestaan meer. Ik zat daar in mijn eentje. Mijn stoel werd gestolen, zelfs de doosjes met elastiekjes werden gejat, stukken uit de maquette verdwenen spoorloos. Uiteindelijk is het in 1993 opgeheven.” Een eenzame ambtenaar in een vergeten project; zoiets gebeurt vaker. Maar geen nood: de stichting Asklepion mag nu met een flinke subsidie in het gebouw een gezondheidspretpark ontwikkelen. Er liggen prachtige tekeningen. Een dertig meter hoge vrouwenfiguur. Tientallen attracties. Je vreest het ergste.

Rotterdam heeft een probleem met de software. De samenstelling van de bevolking speelt een rol. 'Een wereldstad met een dorpscultuur', zo is Rotterdam genoemd. “Een toplaag van havenbaronnen en patriciërs, een kleine middenstand en een grote massa arbeiders. Het geheel werd vrij autoritair bestuurd tot in de jaren zeventig”, zegt A.C. Zijderveld, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. Daarbij passen ruwe zeden. Nuchter, recht voor zijn raap, keihard: zo ziet de Rotterdammer zichzelf - en zo is hij ook. Dat verhoudt zich niet met hogere cultuuruitingen, die gepaard gaan met veel overbodige woorden.

Nog altijd wordt Rotterdam gekenmerkt door een relatief laag opleidingsniveau en grove zeden. Niet toevallig is de enige authentiek Rotterdamse jeugdcultuur van deze eeuw de gabberhouse: een lompe house-variant, gedragen door kale jongeren in trainingspakken, voor wie dansen een houterige uitputtingsslag is die alleen met de juiste dosis chemicaliën is vol te houden. Rotterdammers neigen eerder tot plat vermaak dan tot verfijning.

Voeg daarbij de verwoesting van de binnenstad in 1940 die een vacuüm tussen de buitenwijken naliet. De vormeloze lauwheid van de suburb is geen inspiratiebron voor artiesten die een hectische metropool of het stille platteland zoeken. Dus trokken kunstenaars en intellectuelen naar de warme baarmoeder van de grachtengordel, om van daaruit weemoedig te doen over dat rauwe Rotterdam met zijn grofgebekte autochtonen.

“De stadscultuur blijft ons zwakke punt”, erkent professor Zijderveld. “Dat heeft tijd nodig. Ik was op een congres in Almere, waar men zich ook nogal druk maakte over de stedelijke identiteit. Het deed me denken aan die Amerikaan en die Engelsman. “Hoe heb je dat gazon zo prachtig egaal gekregen”, vraagt de Amerikaan. “Goed maaien en sproeien”, antwoordt de Engelsman. “En dat driehonderd jaar volhouden.”

Zijderveld kijkt vanuit de zevende verdieping van zijn universiteitstoren uit op de drie totempalen van Rotterdam. De Hef, een roestig gedenkteken van het Rotterdam van kolen en staal, de Euromast, de betonnen bekroning van de Wederopbouw, en de Erasmusbrug, het computergestuurde, haperende symbool van het 'Nieuwe Rotterdam'.

De stad moet maar vergeten dat het een havenstad is, zo vindt Zijderveld. “Je kunt het met Tilburg vergelijken. Dat was een textielstad, totdat in de jaren zestig de textiel verdween. De Rotterdamse haven is weggetrokken, je kunt het nu met evenveel recht de haven van Brielle noemen. Weinig Rotterdammers werken er, of ontlenen er hun identiteit aan. Rotterdam moet een kennisstad worden, zich richten op het midden- en kleinbedrijf. In de citymarketing moet de nadruk liggen op architectuur, het experimentele, toekomstgerichte van de stad.”

En dan Amsterdam. Professor Zijderveld kan het niet laten de erfvijand een veeg uit de pan te geven, na een vrome uitweiding dat die oude rivaliteit vandaag de dag weinig zinvol is. Die grachtengordel, de naam zegt het al. Verstikkend en naar binnen gericht. Een openluchtmuseum is het. Die poeha. Die rommeligheid. Dat gebrek aan organisatievermogen. “Ik moet nog zien hoe die stad er over twintig, dertig jaar voorstaat”, zegt de hoogleraar onheilspellend. Amsterdam is alles wat Rotterdam niet wil zijn. Amsterdams sentiment pareren wij met nuchterheid, geschiedenis met modernisme, gratie met werkkracht, monumentaliteit met dynamiek.

Meestal overschreeuwt Rotterdam de eigen onzekerheid. De stad is een parvenu onder Nederlands' grote steden. Nooit af, daarom eeuwig twijfelend aan de toekomst. En heel erg ondergewaardeerd. Ook in de gemeentelijke nota's klinkt soms zelfmedelijden door. “We lopen in Nederland op tegen het probleem van een nogal centralistische cultuurpolitiek die (..) de blik nogal eenzijdig op de hoofdstad richt, in plaats van te erkennen dat de op zijn minst zo belangrijke andere economische mainport heel karig met 's Rijks cultuurfinanciën wordt bedeeld”, klaagt de gemeente in De kunst en de stad (1993). De stad zwelt echter van trots als ze iets voor de neus van de gulzige hoofdstad wegkaapt. Dat president Clinton op de Wilhelminapier stond en Amsterdam het met Hilary moest doen, dat deed het Rotterdamse bloed sneller stromen. Zoiets mag dan best twee miljoen kosten.

Proletarisch, onzeker, zoekend: misschien is Rotterdam daarom bij uitstek een festivalstad. Grote feesten waren bij het ontbreken van een stadshart lang het cement van de samenleving. Amsterdamse manifestaties trekken boeren en buitenlui, Amsterdammers zien hen als irritante onderbrekingen van het dagelijkse leven. Rotterdamse feesten - zoals het multiculturele Dunya-festival, de Wereldhavendagen, de Opzoomerdagen - zijn er voor de Rotterdammers. Ze versterken de eenheid en de trots op eigen prestaties.

De buitenwacht kijkt toe. Lange tijd met medelijden over het droevig lot dat Rotterdam trof, gefascineerd door de daadkracht en de ambities, geamuseerd door blunders en getob.

Rotterdam blijft boeien, want het verandert steeds.