'Brinkman kan geen kritiek verdragen'

De positie van korpschef Brinkman is nog moeizamer geworden. Na ruzie met de ondernemingsraad en de politiebonden heeft hij nu ook een conflict met zijn baas, burgemeester Peper, en diens collega's in de Rijnmond. “Onnodig”, vindt bemiddelaar Jansen, “maar er is iets volkomen verkeerd gegaan”.

ROTTERDAM, 5 JUNI. De positie van korpschef J. Brinkman van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond is nog moeizamer geworden dan die al was. De omstreden oud-generaal is nu ook in conflict gekomen met burgemeester Peper van Rotterdam en de 21 andere burgemeesters van het zogenoemde regionaal college. Vanavond komen Peper en het college bijeen om zich op de situatie te beraden.

“Brinkman bruskeerde Peper en de andere 21 burgemeesters van de betrokken Rijnmondgemeenten volkomen onnodig nadat een oplossing leek te zijn gevonden voor het conflict tussen Brinkman en de ondernemingsraad van het korps en de politiebonden”, zegt burgemeester M. Jansen van Krimpen aan den IJssel.

“De positie van Brinkman is nu onmogelijk geworden”, aldus Jansen, die de afgelopen weken een bemiddelende rol heeft vervuld. “In de vertrouwensrelatie tussen de korpschef en Peper als korpsbeheerder is iets volkomen verkeerd gegaan”, constateerde vanochtend ook burgemeester Broekhuis van Spijkenisse, die samen met Jansen bemiddelde.

Brinkman kwam al in januari in conflict met de ondernemingsraad van het 5000 leden tellende politiekorps. De raad hield vast aan het zogenoemde instemmingsrecht dat de personeelsvertegenwoordiging onder brinkmans voorganger Hessing had verworven. Brinkman erkende dat niet. De ondernemingsraad had ook andere bezwaren met betrekking tot voorgenomen benoemingen. Ook was de raad het oneens met Brinkmans plan het aantal districten in het Rijnmondgebied van twaalf tot zes te verminderen, dat idee werd gesteund door hoofdofficier van justitie De Wit. De autoritaire stijl van leidinggeven van de nieuwe korpschef en de formalistische opstelling van de ondernemingsraad leidde er al snel toe dat het overleg 'de rafelrand van de menselijke communicatie bereikte', zo constateert Peper in een gister verschenen rapport dat hij als korpsbeheerder had opgesteld om een uitweg te vinden in het conflict tussen korpschef en ondernemingsraad. Eind april had de ondernemingsraad, gesteund door depolitiebonden, het aftreden van Brinkman geëist.

Brinkman liet zich maandagavond, naar aanleiding van dit rapport, 'bruskerend' uit over Peper. Jansen: “Het was een demasqué waarmee Brinkman het ultieme bewijs leverde dat hij geen kritiek kan verdragen.” Na afloop constateerden enkele burgemeesters 'einde oefening'.

Peper stelt in zijn rapport voor de Rotterdamse korpsleiding uit te breiden met een comissaris voor personele en sociale zaken die, onder eindverantwoordelijkheid van Brinkman, belast zou worden met het overleg met de ondernemingsraad en de bonden. De burgemeesters betuigden maandag hun instemming, evenals hoofdofficier van justitie mr. De Wit. Brinkman die als laatste het woord kreeg, wees het compromis op twee essentiële punten af. Hij hield volkomen onverwacht een tirade dat hij “geen marionet wilde worden” en dat er “voorgoed een eind moest komen aan alle kritiek op zijn persoon”. Sommige burgemeesters toonden zich geschokt door zijn optreden.

Gisteren stemde Brinkman alsnog in met het rapport van Peper, maar de vertrouwensrelatie met de korpsbeheerder en het regionaal college lijkt onherstelbaar geschonden. Jansen: “Door zijn conflict met Peper versterkt Brinkman ook de positie van de ondernemingsraad en de bonden.” Voorzitter Notenboom van de ondernemingsraad zei gisteren dat de raad kon leven met de oplossingen die Peper in zijn rapport aangeeft. De politiebonden hadden al eerder in gesprek met Peper te verstaan gegeven dat ze het conflict met Brinkman niet op de spits wilden drijven.

In zijn rapport laat Peper lichte kritiek horen op het optreden van Brinkman dat door de ondernemingsraad als autoritair is veroordeeld. 'De wijze waarop de korpschef zijn ideeën en voornemens wil doorvoeren achten velen te schielijk getoonzet voor een in praten getrainde politieorganisatie.' En: 'Het zou het draagvlak voor de bewerktuiging van zijn ideeën te goede komen indien hij meer ruimte zou geven aan de factoren tijd en organisatie.' Brinkman stoort zich aan deze kritiek, hoewel Peper ook vaststelt 'dat de korpschef vanaf zijn aantreden (oktober vorig jaar) van de ondernemingsraad en een aantal bonden geen faire kans heeft gekregen'.

Met de eis dat Brinkman moest opstappen, leken de ondernemingsraad en de politiebonden aanvankelijk hun hand te hebben overspeeld. Brinkman kreeg steun van Peper, de andere Rijnmondburgemeesters en minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) die Brinkman als eerste niet-politieman had benoemd tot korpschef van een van de grootste korpsen in het land. Ook in de Tweede Kamer leek steun te bestaan voor het streven van Brinkman - met steun van Peper - om de macht van de politiebonden in te tomen.

Peper steunt in zijn rapport Brinkmans opvatting dat handhaving van de integriteit in het Rotterdamse korps 'versterkte inzet' vereist. De Rotterdamse burgemeester heeft 'grote zorgen' over de 'erosie van normen en waarden' bij de politie. Hij vindt dat leidinggevenden 'zich meer bewust moeten zijn van hun voorbeeldfunctie'. Ook moeten gebouwen en informatie bij de politie beter beveiligd worden. Peper wil de financiële gang van zaken bij het korps laten doorlichten door het consultancybureau Price Waterhouse, dat voor 1 augustus met een rapport moet komen. Het aantal districten zou vooralsnog met twee à drie kunnen worden verminderd.

Het conflict in Rotterdam-Rijnmond dat volgens Peper 'al lang genoeg heeft geduurd en genoeg schade heeft aangericht' heeft implicaties voor alle politieregio's in Nederland', zo constateert hij in zijn rapport. Brinkman heeft inmiddels via zijn woordvoerder laten weten het rapport van Peper “loyaal zonder mitsen of maren te zullen uitvoeren”.