Architectuur; Van zakelijkheid naar traditionalisme

Rotterdam, stad van het Nieuwe Bouwen, ontwikkelt zich tot stad van collage-architectuur. Een wandeling door de stad met een nieuw hart.

Het Gilde Rotterdam (Westersingel 23) organiseert op afspraak diverse stadswandelingen, waaronder de wandeling 'Centrum Architectuur'. Deze wandeling duurt ongeveer twee uur. Informatie: (010) 4 36 28 44, maandag 13-17 uur, dinsdag t/m vrijdag 9-17 uur.

HET VOOROORLOGSE ROTTERDAM was de Nederlandse hoofdstad van de Nieuwe Zakelijkheid. Nergens anders in Nederland verrezen zoveel scheppingen van de aanhangers van het functionalisme of het Nieuwe Bouwen, zoals de Nieuwe Zakelijkheid tegenwoordig bekendstaat.

Nieuwe Zakelijkheid was dan ook een stijl die wonderwel paste bij het opgestroopte-mouwenimago dat Rotterdam ook toen al van zichzelf koesterde. De woonwijken van J.J.P. Oud, de villa's van Brinkman en Van der Vlugt (waaronder nummer 41 van de wandeling), en natuurlijk het Feyenoord-stadion en de Van Nellefabriek van dezelfde architecten leken het resultaat van dezelfde no-nonsensebenadering die de haven groot had gemaakt.

Het Duitse bombardement heeft de nieuwzakelijke neiging versterkt. Het oude centrum van Rotterdam, dat op veel plekken werd gekenmerkt door een Anton-Pieckachtige bebouwing, werd vrijwel volledig weggevaagd. Dit bood voor de naoorlogse Nieuwe Bouwers de gelegenheid ook hier hun rationele stedenbouw te praktiseren. Al in 1946 voltooide C. van Traa het Basisplan voor de Wederopbouw van Rotterdam dat - precies zoals de wetten van de functionalistische stedenbouw het voorschreven - de binnenstad hoofdzakelijk bestemde als een rationeel geordende zaken- en winkelwijk.

De Rotterdamse wederopbouwarchitectuur is wereldberoemd geworden. Kenmerkend is het Groothandelsgebouw (50) van H.A. Maaskant en W. van Tijen uit 1951, dat met zijn lengte van 220 meter en breedte van 85 meter nog altijd een van de grootste gebouwen van Nederland is. De hele wereld, en dan vooral Oost-Europa dat als slachtoffer van de nazi's met dezelfde stedelijke problemen worstelde als de Rotterdammers, kwam kijken naar de Lijnbaan (13) van het architectenbureau Van den Broek en Bakema uit 1953, het winkelcentrum dat alleen voor voetgangers bestemd was. Inmiddels is de Lijnbaan zelf weer een probleem geworden en breken architecten zich het hoofd over de vraag hoe de aftandse winkelpromenade nieuw leven kan worden ingeblazen.

Het heeft lang geduurd voordat het centrum van Rotterdam zijn uiteindelijke vorm kreeg. In de jaren vijftig en zestig had de woningbouw in de buitenwijken voorrang en in de jaren zeventig ging de meeste aandacht uit naar de stadsvernieuwing van de negentiende-eeuwse wijken. Pas in de jaren tachtig, toen de Rotterdamse binnenstad de wereld nog steeds toegrijnsde als een gebit met ontbrekende tanden, werd begonnen met het vullen van de grote gaten. Maar de algemene opvattingen over de stedenbouw waren toen veranderd: het dogma van de strikte scheiding van stedelijke functies was inmiddels zelfs in het zakelijke Rotterdam verlaten. De nieuwe plannen voorzagen ook in woningbouw in het centrum.

Bij het station van Van Ravensteyn (1) verrees het hoogste gebouw van Nederland, het met afwerend spiegelglas bedekte hoofdkantoor van Nationale Nederlanden (2) uit 1991. Net zomin als de vrijwel gelijktijdige bebouwing van het Weena met woontorens en kantoren is deze door Bonnema ontworpen toren een succes. De omgeving van het station en het Weena doen zich voor als een kantorenpark dat per ongeluk in een binnenstad verzeild is geraakt.

De jaren tachtig vormden een afscheid van de strikt functionalistische stedenbouw van Van Traa, maar de Rotterdamse architectuur bleef beheerst door zakelijkheid. Echt postmodernistische gebouwen, zoals het Groninger Museum of woningen van de Belgische nieuwe classicist Charles Vandenhove, kent Rotterdam eigenlijk niet. Piet Bloms paalwoningen uit 1984 (22), die nu allerlei gebreken vertonen en aan restauratie toe zijn, zijn de grootste frivoliteiten die de stad in de jaren tachtig toeliet.

Niet voor niets is het Rotterdam van de jaren tachtig vooral de stad van Wim Quist, de liefhebber van soberheid die niet alleen de Schouwburg (45) en het hoofdkantoor van Nedlloyd (25) ontwierp, maar ook het Maritiem Museum en de Robeco-toren (18). Ook veelzeggend is het dat het architectenbureau Mecanoo in 1985 juist in deze stad met de jongerenwoningen aan het Kruisplein (49) zijn eerste ontwerp realiseerde. In de tweede helft van de jaren tachtig zou dit bureau uitgroeien tot aanvoerder van een nieuwe generatie neomodernisten, die op een vrije manier de vormen van de Nieuwe Bouwers uit de jaren twintig hergebruikten.

Tien jaar later heeft dit neomodernisme zich ontwikkeld tot collage-architectuur, dé Nederlandse stijl van de jaren negentig die ook in Rotterdam overal waarneembaar is. De Kunsthal (35) van Rem Koolhaas aan de Westzeedijk is er een beroemd voorbeeld van, en ook het verzamelgebouw van Mecanoo zelf aan de Rochussenstraat (43) en de woningen van DKV (34) aan de Zalmhaven zijn opgebouwd uit scherp contrasterende vormen en materialen. Zelfs de nieuwe Rotterdamse pleinen en parken, zoals Yves Bruniers Museumpark (36) en Geuzes Schouwburgplein (46) zijn collages, al ervaart men dit in het laatste geval pas als men over de desolate grijze vlakte loopt.

Aan het einde van het millennium is het zwaartepunt in de Rotterdamse bouw verschoven van de binnenstad naar de Kop van Zuid, een in onbruik geraakt havengebied waarmee Rotterdam grote plannen heeft. De vorig jaar geopende Erasmusbrug (29), ontworpen door Ben van Berkel, is de nu al beroemd-beruchte opmaat van de grote kantoor- en woontorens die hier de komende jaren zullen verrijzen. De Erasmusbrug is een breuk met de zakelijke Rotterdamse architectuur: met opzet koos het Roterdamse gemeentebestuur niet voor een eenvoudige, rationele brug, zoals de eerdere Nieuwe Willemsbrug (24), maar voor een spectaculaire gigantische harp die 30 miljoen gulden duurder was dan noodzakelijk. Ook het pas voltooide door Rob Ligtvoet en Cees Dam ontworpen Wilhelminahof (30) heeft niet de open, heldere vormen gekregen van het functionalisme. Met zijn bakstenen strengheid grijpt deze combinatie van belastingkantoor en gerechtsgebouw eerder terug op het traditionalisme van het Museum Boijmans Van Beuningen (38) van Van der Steur dan op de Nieuwe Zakelijkheid. Erasmusbrug en Wilhelminahof doen vermoeden dat in de Rotterdamse architectuur het einde van het zakelijke tijdperk nabij is.