Administratie bij politie blijft 'jungle van gegevens'

Het lijkt eenvoudig maar blijkt het niet te zijn: tellen hoeveel politie-agenten er zijn. De Rekenkamer klaagt er opnieuw over.

DEN HAAG, 5 JUNI. Het blijft tobben met het vinden van de juiste feiten over de Nederlandse politie. Voor de vierde keer in drie jaar tijd heeft de Algemene Rekenkamer een onderzoek ingesteld naar de betrouwbaarheid van de gegevens over het aantal politie-agenten. Maar net als in de vorige onderzoeken slaagde de Rekenkamer er niet in de juiste politiesterkte te berekenen; het informatiebeheer bij de korpsen en het ministerie van Binnenlandse Zaken is nog steeds onvoldoende. Ook kan de Rekenkamer maar geen inzicht krijgen in de besteding van het geld dat de korpsen van de rijksoverheid krijgen.

Het ziet ernaar uit dat verantwoordelijk minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) de komende maanden in de Tweede Kamer nog veel masseerwerk zal moeten verrichten om uit te leggen dat de uitbreiding van de politiesterkte op koers ligt. Die uitbreiding is gesteld op 3.750 mannen en vrouwent tijdens deze kabinetsperiode. Kon Dijkstal zich in de prille dagen van zijn ministerschap nog verweren met het argument dat hij te maken had met een erfenis uit het verleden, de vraag is of hij het deze keer redt in de Kamer.

De omvang van de Nederlandse politie is in het parlement al jaren een bron van zorg. De uitbreiding van de politiesterkte moest een antwoord zijn op de groei van zowel de 'kleine' als de 'grote' criminaliteit. De korpsen dachten er anders over. Zij wilden graag uitbreiden, maar wezen kabinet en Kamer met grote regelmaat op het in hun ogen schrijnende gebrek aan informatietechnologie, waarmee het politiewerk zoveel gemakkelijker kon worden gemaakt. “De gemiddelde koe heeft meer informatietechnologie in haar oor dan de gemiddelde agent op zak”, zei de voorzitter van het korpsbeheerdersberaad, de Nijmeegse burgemeester d'Hondt, meer dan eens.

De Rekenkamer, die zich de laatste jaren als een waakhond over de politie ontfermde, concludeerde enkele jaren geleden al eens dat het aantal politiemensen op straat tussen 1986 en 1993, tegen de wens van de Tweede Kamer in, niet was gestegen, ondanks een stijging van het budget met 1,1 miljard gulden in die periode. De korpsen bleken dit geld te hebben besteed aan materieel (computers, huisvesting, auto's), het wegwerken van financiële tekorten en een stijging van de lonen. Andere onderzoekers verbaasden zich in die periode over de 'jungle van gegevens' bij de korpsen, waaruit zij niet konden opmaken hoeveel politie-agenten er precies waren, welk werk zij deden en hoeveel geld er was, of niet was.

De verwarring bij de politie ontstond voor een groot deel door de reorganisatie van het bestel. Tussen 1991 en 1994 werden de 148 gemeentelijke politiekorpsen en het korps rijkspolitie omgevormd tot vijfentwintig politieregio's en één Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Tijdens die operatie wisselden duizenden politie-agenten in Nederland van functie.

Dijkstal zei herhaaldelijk dat hij door de inwerkingtreding van de nieuwe Politiewet te weinig bevoegdheden had om de politie voldoende te sturen. Hij kon afspraken maken, maar te weinig afdwingen. Daarom besloot het kabinet in januari 1997 de decentralisatie bij de politie voor een belangrijk deel terug te draaien en meer macht te geven aan de minister van Binnenlandse Zaken. De Tweede Kamer buigt zich maandag over de kabinetsplannen.

Opmerkelijk in het rapport is dat de Rekenkamer en minister Dijkstal het oneens zijn over de conclusies. Dijkstal vindt dat de beoordeling van de Rekenkamer voor een deel is gebaseerd op de overgangsperiode na de reorganisatie. Hij wijst er op dat de situatie sinds 1995 al aanmerkelijk is verbeterd.