Aan de rafelrand van Europa (1)

ODESSA. In Odessa scheen de zon en luidden de klokken, toen de Briz er aan de kade meerde, na een reis van anderhalve dag over de 'woestijn van water' die ook wel de Zwarte Zee wordt genoemd. Voor me lagen de befaamde trappen, die zo'n centrale rol spelden in Eisensteins film 'Potemkim', en daarachter, boven de steile kustwand, ontvouwde zich de stad: de huizen lichtgroen en oker, de straten van een negentiende-eeuwse allure, weinig auto's, oude kasseien, de gevels van een negentiende-eeuwse vergane glorie.

Alles was er nog als in de boeken: het paleis waar Aleksandr Poesjkin de vrouw van gouverneur Vorontsov, Eliza Vorontsova, in 1823 het hof maakte; het redactielokaal van de zeemanskrant Morjak, waar Konstantin Paustovski en de zijnen in 1920 op hun manier revolutie maakten; de binnenplaatsen waar Isaäk Babel zijn boevenkoning Benja Krik liet regeren. Alleen de joodse gemeenschap was weg - dat wel.

Het was een volle, warme lentezondag, daar in Odessa. Op de boulevard bloeiden de kastanjebomen, er was muziek, en de straten waren vol jongens en meisjes die in hun mooiste kleren heen en weer flaneerden omdat ze geen geld hadden voor welk terras dan ook. Er waren paardjes voor de kinderen. Er was een aapje waarmee je op de foto kon. De zwaluwen gierden tussen de daken. Het was een zondagmiddag als lang geleden.

Ik was in Istanbul, onder auspiciën van de VPRO-radio, aan boord van de Briz gestapt, een vrachtschip met passagiersaccomodatie dat heen en weer voer lands de ondergrens van Europa. Het schip zag eruit als een oude man, de scheepswand vol korsten en gezwellen, en sinds jaar en dag voerde het hgandelaren van Odessa naar Istanbul en terug. De meesten vertoonden zich slechts aan dek om hun goederen te inspecteren, norse mannen in blauwe trainingspakken. Waren de ijskasten niet nat geworden? Zat hun vracht Italiaanse tuinstoelen nog wel goed vastgesjord? Gapten de matrozen niet teveel van de tomaten, die met honderden kisten op het dek stonden? Daarna trokken ze zich weer terug in hun hut of in de scheepsbar. Zo zagen dus de veel besproken buitengrenzen van Europa er in werkelijkheid uit, de stippellijn op de kaart tussen het Europa dat de renaissance had meegemaakt, en de verlichting, en nog zo wat zaken, en de wereld erbuit: een oude schuit, trainingspakken, wodka, een paar scheepshoeren en een dozijn dolfijnen daaromheen.

Wat is Europa, en waar houdt het op? In Istanbul werden we uitgeleide gedaan door de roep voor het avondgebed vanaf de minaretten, maar er waren minder hoofddoekjes op straat te bekennen dan in Bos en Lommer. En in Odessa was alles weer Europees: de huizen, de opera, de schrijvers, de musea en niet in de laatste plaats de jeugd. Want wie paradeerden hier hand in hand over de boulevard, anders dan de achterkleinkinderen van Italiaanse handelaren, Griekse matrozen, Russische ambtenaren, joodse en Armeense ambachtslieden en Oekraïnse boeren?

In zijn recent verschenen studie over het idee 'Europa' waarschuwt de Amsterdamse hoogleraar cultuurgeschiedenis Pim den Boer voor het geroep over de 'Europese identiteit'. In zijn ogen heeft dat iets megalomaans, iets dat in strijd is met de hele geschiedenis van het 'idee Europa' drie hoofdelementen: ten eerste de identificatie van Europa met vrijheid, ten tweede die van Europa met christendom en ten derde die van Europa met beschaving. Elk van deze identificaties heeft een eigen ontstaansgeschiedenis. Ze kunnen voor lange tijd verdwijnen en dan eeuwen later herontdekt worden - zoals bijvoorbeeld het vrijheidsbegrip, dat zowel in het begin van de negentiende eeuw als tijdens de Koude Oorlog een belangrijke rol speelde. In een andere situatie worden ze dan geherinterpreteerd, aangepast en opnieuw op de voorgrond geplaatst. Maar, schrijft Den Boer, als íets het kenmerk bij uitstek van de Europese beschaving is, dan is het diversiteit, en niet één enkele identiteit.

Welnu, als er één stad aan deze Europese norm voldoet, dan is het Odessa. Kort nadat deze half Franse, half Italiaanse stad rond 1800 door de pioniers van de steppe uit de grond was gestampt, schreef tsaar Alexander I al aan gouverneur Vorontsov dat Odessa 'te Europees' werd: militairen liepen er met losgeknoopt uniform, en Odessa was de enige stad in Ruslan waar men op straat mocht roken en een liedje zingen. Veel Russen haatten Odessa. De stad gold als lakmoesproef: wie van Odessa hield, was van Europa. Wie niet van Odessa hield, oriënteerde zich enkel op Rusland zelf. Maar misschien is Odessa wel een uitzondering die een regel bevestigt.

Odessa denkt na over Europa, meer dan de Europeanen zelf. “In Nederland is de grens van Europa duidelijk: de oceaan”, meent Charles Krol, hoogleraar Europese studies aan de universiteit van Odessa. “Maar hier. Waar begint het? Waar eindigt het?” Hij vertelde dat de twee jaar die hij in Odessa woont hem een enorme verruiming hebben gegeven. Want Europa is groter dan West-Europa alleen, en volgens hem zou het een grote verschraling voor de Europese ontwikkeling zijn als dit gebied helemaal zouden worden buitengesloten. “Je krijgt een ander perspectief als je vanuit het oosten naar Europa kijkt. Altijd heeft West-Europa genoeg aan zichzelf gehad, terwijl men aan de oostgrenzen altijd erg gezeten heeft met de vraag: horen wij erbij of niet? En daarom zijn in Oost-Europa veel meer levendige discussies gevoerd over de aard van Europa. Wat is Europa? Wat moet Europa wezen? Wat moet Europa worden?”

Buiten, op de boulevard, stond een voormalige operazangeres. Met haar oude stem zong ze aria's uit Carmen, Tosca, de Aïda, Figaro, Rigoletto, het hele pan-Europese repertoire, onder een grote zwarte paraplu tegen de zon. Charles Krol: “Wie kan het beste een beweging beoordelen? Wie in de trein zit? Of wie buiten de trein staat en er naar kijkt?”