Zonnig begin van Vermeulen-oeuvre

Concert: Ned. Philh. Orkest en Toonkunstkoor o.l.v. Ed Spanjaard. Werken van Vermeulen, Debussy en Ives. Gehoord 3/6 Concertgebouw Amsterdam.

“De één verweet mij dat ik hem bek-af maakte, de tweede dat ik onbegrijpelijk was, een derde noemde mij geschift, een vierde waanzinnig, een vijfde betitelde mij als een barbaar.”

Het lijkt een grappig aftelversje, maar het zijn de onthutsende ervaringen van Matthijs Vermeulen (1888-1967). Ik ben niet zijn zoon, zoals vaak wordt gedacht, want Vermeulen heette Van der Meulen en noemde zich Vermeulen als musicograaf en later componist. Zijn oeuvre wordt nu uitgevoerd in twaalf Holland Festival-concerten. Geen componist wist zulke heftige reacties op te roepen, positieve niet uitgezonderd. Het festival biedt de mogelijkheid om de balans op te maken.

Koortsopwekkend was de eerste uitvoering in 1919 van Vermeulens Eerste symfonie waarmee het Nederlands Philharmonisch Orkest dinsdagavond onder leiding van Ed Spanjaard in het Amsterdamse Concertgebouw het spits afbeet. Koorts kreeg Vermeulen van de 131 onverbeterde fouten in de orkestpartijen. De Spaanse griep zorgde ervoor dat in de cellogroep twee musici aantraden. Terecht beschouwde de componist deze uitvoering als non-existent.

De echte première dirigeerde Bernard Haitink op het openingsconcert van de Nederlandse Muziekdagen in 1964, gecombineerd onder andere met Louis Andriessens Nocturnes, eveneens de onvervalste liefdeszangen van een beginnend componist. Want liefdeszangen componeerde Vermeulen, in zijn Eerste symfonie. De ondertitel Symphonia carminum, 'symfonieën der gezangen' verwijst naar carmen in de betekenis van magische incantatie.

Dat was wat Vermeulen wilde: de ruimte vullen met extatisch hymnische gezangen. En dat was wat hij vooral bewonderde in het werk van zijn mentor Alphons Diepenbrock, waarin 'elk zijner stemmen een eigen, individuele fysionomie geeft, zonder te letten op een harmonie, welke daaruit voortvloeien kan'. Dat hij in de Eerste symfonie dit procédé toepast is minder opmerkelijk, dan het feit dat elk van zijn zeven symfonieën onderworpen is aan dit idee van een grote hoeveelheid aan zwevende stemmen in een spontane geleidelijke ontvlamming.

Anno 1997 is het voor ons volstrekt onbegrijpelijk hoe tijdgenoten worstelden met Vermeulens eersteling. Deze jeugdige muziek - de vroegst bewaard gebleven compositie van een 26-jarige - is veelal vredig en beminnelijk, zeker vergeleken met de vulkanische uitbarsting van de Tweede, zes jaar later. Toch werd de Eerste tot op de bodem afgekraakt, zoals door J.S. Brandts Buys. Hij hekelde vermeende invloeden van Brahms, Schumann en Tsjaikovski, componisten die de francofiele Vermeulen in zijn kritieken zo verafschuwde! Voor Diepenbrock leek de muziek 'een kat die haar eigen staart achternaloopt' - meer wilde hij er niet over kwijt.

Evenmin invoelbaar is de positieve reactie van een Petrus Spee, toen Vermeulen hem het pas gecomponeerde begin aan de piano liet horen: “'t Is even schoon als Berlioz, zo woest en vurig dat ik bij de gloeiende kachel zat te rillen als van koorts”.

Vermeulens zonnigste muziek, getekend door veelal stijgende melodieën in echo's van het gregoriaans, Mahler, Debussy en zelfs Satie - gehoord de ongerepte pré-tonale blanke kleur - bezit nog niets van de rusteloze chromatiek die de latere symfonieën tekenen. Er is wel meteen spanning, maar de inzet is gul uitnodigend als van een grand seigneur, meer plechtig dan op welke wijze ook verontrustend. En in het verdere verloop overheerst een vloeiend stromende mijmering, teder en liefdevol.

Gegevens uit het eerste deel keren terug in het laatste zesde, die uit deel twee duiken op in deel vier. Dat alle delen in elkaar overlopen is typerend voor de componist. Intrigerend is de verglijdende tonaliteit van het vijfde deel. Maar laten we oppassen om de passages waar de Eerste symfonie vooruit loopt op alle volgende, veel revolutionairder, symfonieën, te zien als de belangrijkste.

De Eerste is ondanks de zesdeligheid vóór alles één litanie van onstuimige schoonheid, in de woorden van Vermeulen over Debussy's La mer: 'een verrukkelijke dilatatie van levensliefde'. Debussy was voor Vermeulen de eerste vooruitgang in de muziek sinds Bach. Zó klonk bij Ed Spanjaard en de zijnen deze muziek ook: geheel vrij van koorts, zwierig uitbundig en hymnisch vervoerend danwel lyrisch intiem, heel fraai van opvatting èn realisatie.

De concertafsluiting met de veel rustelozer en scherper profilerende Charles Ives met delen uit A Symphony: New England Holidays was voor mij niet nodig geweest. Zinvoller was de confrontatie geweest met Ives' Eerste symfonie, eveneens een jeugdige, bijna overmoedige eersteling. Als ontspanning tussenin fungeerde nog Debussy's met noblesse door François le Roux voorgedragen Trois ballades de François Villon.

Zo, dat weten we dus: Vermeulens Eerste symfonie is onproblematisch. Zeker, de stemmen zijn dicht, maar plezierig, zoiets als het lopen met blote voeten door de ochtenddauw, een frisse sensatie. Vermeulen werd vaak 'moerasachtig componeren' verweten. Die onfrisse discussie kan nu worden bijgezet in het rariteitenkabinet.