Verwijderen asielzoekers blijft lastig volgens Schmitz

Politiek Den Haag heeft zich jaren vooral bekommerd om de beperking van de toestroom van asielzoekers, nu is de terugkeer van asielzoekers wier aanvraag werd afgewezen aan de orde.

DEN HAAG, 4 JUNI. Staatssecretaris Schmitz worstelt met een groot probleem. Vreemdelingen niet toelaten tot Nederland, omdat zij niet voldoen aan de criteria voor asielzoekers, is één, gedwongen terugsturen van een individu is twee. Want dan krijgt de vreemdeling plotseling “een gezicht”. En altijd blijft er dat beetje twijfel of de beslissing wel juist was, zo weten de beheerders van de 'hoofdpijnportefeuille', zoals het asielbeleid op de gangen van Justitie wel wordt genoemd.

Schmitz' motto luidt: Niet toelaten betekent terugkeren. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Een aantal gemeenten, onder aanvoering van Apeldoorn, weigerde eerder dit jaar haar beleid uit te voeren. Zij wilden geen verantwoordelijkheid dragen voor het 'uitplaatsen' van de asielzoekers uit hun huizen. Om die problemen te omzeilen moeten er onder meer 'terugkeerteams' en 'terugkeerprogramma's' komen, vindt het kabinet.

Een “effectief en humaan” terugkeerbeleid is geboden, stelt Schmitz vast. Zo moet de vreemdeling al bij zijn asielaanvraag in Nederland worden verteld dat er ook een kans bestaat dat hij niet mag blijven. Dat gebeurt nog nauwelijks, constateert Schmitz. Zij heeft nog andere plannen bedacht om de terugkeer te vergemakkelijken: de gefaciliteerde terugkeer, waarbij de vreemdeling financiële ondersteuning krijgt als hij meewerkt. Deze 'terugkeerprogramma's' zijn vooral bedoeld voor mensen die al enkele jaren in Nederland verblijven. Bij hen is de bereidheid terug te gaan het geringst, zo heeft Justitie gemerkt. Het principe is: wie vroeg aanbiedt vrijwillig terug te keren naar zijn geboorteland krijgt meer 'faciliteiten' (geld) dan wie zich later aanmeldt.

Eén van de redenen voor de financiële ondersteuning is dat vluchtelingen al bij hun vlucht naar Nederland vaak financieel zijn geholpen door de gemeenschap van waaruit zij kwamen. Met het geld uit Nederland kunnen zij zonder gezichtsverlies in hun gemeenschap terugkeren, meent Schmitz. Anderen wordt een sociaal-economisch perspectief geboden. Zij kunnen een onderhoudstoelage voor maximaal negen maanden krijgen, gerelateerd aan de lokale prijzen, of een krediet krijgen om een eigen bedrijfje in hun geboorteland op te zetten. Voor dergelijke projecten heeft Justitie dit jaar vijf miljoen gulden uitgetrokken, voor volgend jaar het dubbele.

In de Nederlandse opvangcentra en opvangwoningen bevonden zich volgens schattingen van Justitie op 1 maart zo'n 7.500 'verwijderbare' vreemdelingen. Zij zijn vooral afkomstig uit Iran (1.250), voormalig Joegoslavië (exclusief Bosnië, 1.100), China (650), Somalië (500) en Congo (500). Schmitz verwacht, op grond van de 33.000 asielzoekers die nu nog in de procedure zitten, dat daar de komende achttien maanden ten minste nog eens 10.000 personen bijkomen.

Het grootste probleem voor Justitie is dat het merendeel van de asielzoekers naar Nederland komt zonder geldige reis- of identiteitsdocumenten. Hun terugreis wordt daarmee ernstig bemoeilijkt, omdat de landen van (mogelijke) herkomst niet meewerken als nationaliteit en identiteit niet vaststaan. Verder komt het volgens Schmitz in de praktijk regelmatig voor dat een vreemdeling voorgeeft een nationaliteit te bezitten waarvan wordt vermoed dat deze op de 'rode' lijst staat van landen die als onveilig worden beschouwd. Op dit moment stuurt Nederland geen asielzoekers terug naar Afghanistan, Bosnië, Burundi, Irak, Liberia, Rwanda, en de 'onveilige delen' van Soedan, Somalië en Congo. Vluchtelingen uit deze landen mogen blijven totdat de veiligheidssituatie verbetert, of, zoals in het geval van Bosnië, de voortgang van de wederopbouw een grootschalige terugkeer toelaat.

Daarnaast heeft Justitie te maken met een groep vreemdelingen die wel willen vertrekken, maar buiten hun schuld niet kunnen omdat de papieren niet in orde zijn en het land van herkomst niet meewerkt. Zij krijgen een verblijfsvergunning totdat deze 'technische problemen' zijn opgeheven. Als dat langer dan drie jaar duurt mogen zij blijven.

Niet bekend

Niet bekend

Het sluitstuk van het Nederlandse beleid is de gedwongen terugkeer, volgens Schmitz het ultimum remedium waaraan niet valt te ontkomen. Daar zit de pijn. In een vraaggesprek met Trouw zei Schmitz vanochtend: “Ik zal wel weer stromen brieven krijgen: u moet het wèl doen, maar niet voor dit ene gezin.” Voor de gedwongen uitzettingen heeft de staatssecretaris vier speciale 'terugkeerteams' opgericht die vreemdelingen ervan dienen te overtuigen dat zij echt weg moeten. Als dat niet lukt zullen de gemeenten ertoe moeten overgaan de vreemdelingen uit hun woningen te zetten, bijgestaan door de terugkeerambtenaren van Justitie. De vraag hoe deze moeilijkste vorm van verwijdering in de praktijk precies in zijn werk zal moeten gaan, omzeilt Schmitz. In Trouw zegt zij al op voorhand geen “spectaculaire resultaten” te verwachten van haar terugkeerbeleid.