Mythen achter maskers

Voorstelling: Glowing Icons van Jan Fabre. Regie en decor: Jan Fabre. Gezien 23/5 deSingel, Antwerpen. Te zien 4 t/m 7/6 Rotterdamse Schouwburg. Res.: 010-4118110.

Glowing Icons heet Jan Fabre's laatste deel van zijn 'trilogie van het lichaam'. Glanzende, gloeiende iconen. Diep in ons bewustzijn hebben ze zich genesteld, die idolen van de historie. De uitwaaierende haardos en de snor van Einstein, het gemene spuugsnorretje en het sluike haar van Hitler, het grijze haar en de bril van Andy Warhol, de tanden als kleine dolken van Dracula, het zuurstokroze mantelpakje dat Jackie Kennedy droeg op die fatale dag in Dallas, de weelderige vormen om van te dromen van Mae West. Zij zijn helden geworden, niet uit te wissen symbolen, omdat wij, het publiek, hen hebben losgezongen van de geschiedenis en tot ons bezit hebben verklaard. Zonder ons kunnen zij niet bestaan; het is alsof wij die symbolen hebben geofferd ten nadele van hun eigen persoonlijkheid en ten faveure van onszelf. Onze idealen projecteren wij op hen.

Een icoon is per definitie een gladde, glanzende afbeelding, zonder diepte. Dat is de tragiek van mensen als iconen: zij betekenen niets meer dan juist die oppervlakte. Wanneer tegen het slot van de voorstelling actrice Renée Copraij als een volmaakte imitatie van Jackie Kennedy haar rug naar de zaal keert en zich langzaam ontdoet van haar mantelpakje en ineens met naakte rug daar staat, dan heeft zij niets meer van doen met Jackie. Toch, we geloofden dat Jackie daar stond, maar ze was een illusie. Buitenkant. Roze kostuum. De glans van haar leven, haar erotiek, is juist dat zij geen gewone vrouw was, maar 'de vrouw van de president van de Verenigde Staten'.

Op het zwarte vlak van het toneelpodium verschijnen deze historische personages, en ze verdwijnen weer. Hun nabootsing is perfect, de kostumering onwaarschijnlijk treffend. Zoals Tiny Bertels als Janis Joplin 'Oh lord, won't you buy me a Mercedes Benz' zingt, is het alsof Janis is herrezen uit haar drugsdood. Of Antony Rizzi als Mae West met die doorrookte, zwoele stem. Mae Wests slotakkoord is van een grote tragiek: zij smeekt het publiek van haar te houden. Zonder publiek, geen verering. Ze kruipt nederig op de knieën.

De voorstelling verglijdt in een trage choreografie van opkomen en afgaan. Tussen de personages is er nauwelijks spel, in elk geval geen conflict of drama, zij richten hun woorden rechtstreeks tot de zaal. Hun teksten zijn monologen, waarin opvallend vaak het woord 'acteur' voorkomt. Zo zegt Elizabeth I bij herhaling dat zij 'a bad queen' was, maar 'a great actress'. Ook Andy Warhol bevestigt dat het aura dat hij bezit voor hem niet bestaat, maar wel voor anderen. Dat aura vergezelt hem dank zij de media - kranten, en vooral de tv. Iconen zijn gemaakt. Zij zijn het schuim op de golven van de roddel.

Fabre toont de personages vooral als ongrijpbare figuren, wier innerlijk verborgen blijft achter hun mythische maskerade. Zijn zij eenmaal in het bezit van hun buitenproportionele dimensies, dan maken zij daarvan schaamteloos gebruik, en dat is tragisch. Zij spiegelen zich aan zichzelf. Daarom laat hij hen aan het slot in een ritueel met Mme Butterfly zelfmoord plegen. Eigenlijk waren ze al dood, want de voorstelling wordt omlijst door het optreden van Dracula. Hij nodigt ons uit zijn domein binnen te treden van degenen die aanhun hals dood zijn gezogen. We zien de dode iconen nog eens sterven, en dat is hun ultieme einde. Want helden moeten blijven voortbestaan. Intussen zingt David Bowie 'Fame', over de leegte en nutteloosheid van roem. Het is alles uiterlijk vertoon; Jan Fabre toont ons deze filosofie als leeg en kil, en vooral eenzaam. De betovering is slechts voorbijgaande glans.