Een beetje buh

Geen subtieler woord in de Nederlandse taal dan burgerlijk. Het op te schrijven alleen al is (althans buiten de veilige sfeer der wetenschap) een vergrijp tegen de goede manieren: burgerlijk zég je niet. Daarom prevelen mensen die er iets denigrerends in zien - en dat zijn er veel - liever 'een beetje buh, vind je niet?' of iets in die geest. Maar zelfs dat is eigenlijk niet netjes. Het is (zoals een keurig persoon mij laatst toevertrouwde) bijna een beetje buh om het over buh te hebben.

Subtiel hè?

Trouwens, dat alle mensen die burgerlijkheid verkeerd vinden, het woord zelf vermijden is eigenlijk niet waar. Dat geldt alleen voor degenen die menen dat zijzelf maatschappelijk hóger staan dan de burgerij. Terwijl ook in heel andere kringen, namelijk die van artiesten en socialisten van de oude stempel, alles werd verfoeid wat naar burgerlijkheid zweemde. Maar hier werd het ferm hardop gezegd. Het duidde op gezagsgetrouw volgen van de heersende normen. Je verloven, en dan liefst nog kuis blijven tot je trouwde was burgerlijk. Of kopjes gebruiken met bijbehorende schoteltjes. Daarmee werden zonder twijfel ook de meeste buh-zeggers gebrandmerkt. Hoogstens een dronken baron die hokte met de meid op zijn verwaarloosde kasteel, zou veilig zijn geweest voor het linkse verwijt van burgerlijkheid. En proletariërs aller landen natuurlijk, en soci's van alle standen.

Terwijl al die brave maatschappijcritici op hun beurt waarschijnlijk veel kenmerken vertoonden van wat de keurige buh-zeggers burgerlijk vonden. 'Alstublieft' zeggen als hun een verversing werd aangeboden bijvoorbeeld. Of een gebloemd vloerkleed in de kamer hebben.

Wat in Nederland, een land waarvan de burgerlijkheid altijd op ieders lip ligt, gek genoeg ontbreekt is het woord burgerlijk in lovende zin. Neutraal, dat is nog wel te vinden, al kom ik even niet verder dan het burgerlijk recht en de burgerlijke stand. Maar er iets positiefs mee aanduiden, zoals de Duitser met zijn Gutbürgerliche Küche, dat komt in het Nederlands niet voor. Kennelijk is niemand er trots op, burger te zijn.

Fascinerend blijft die afschuw van het woord burgerlijk in de 'betere kringen'. Streng afgekeurd, schrijft Agnies Pauw van Wieldrecht helemaal voorin haar boekje over het dialect van de adel. Is dat nu omdat het zo'n dodelijk, of omdat het zo'n futiel verwijt is - of allebei? Een andere oorzaak is natuurlijk het besef dat het niet aardig is om op iemand neer te kijken vanwege de porseleinen hertjes op zijn schoorsteenmantel. Dat besef dateert van na, pakweg, 1940. Daarvóór waren standsverschillen geheel vanzelfsprekend. Dat je je kinderen leerde dat de Lieve Heer ons allen gelijk heeft geschapen, stond daar los van.

Maar er zit nog iets anders bij, geloof ik. Het taboe op het begrip burgerlijk is tegelijk wat sociologen een uitsluitingsmechanisme noemen. Een beetje geheimzinnigheid kan nooit kwaad in dit soort dingen: als jan en alleman precies zou weten wat burgerlijk is, was de lol er af. Sociaal gesproken is het begrip al verrassend vaag. In romans van vóór de oorlog komt het bijvoorbeeld veel voor, en altijd in kleinerende zin; maar het blijkt gezegd te worden over een breed scala aan personen, van een betaalde minnares tot een leraar klassieke talen. Een burgerjongen, een burgervrouw.

In een etiquetteboek uit 1898 staat: 'Burgermenschen leeren hunne kinderen om achter ieder antwoord, dat zij geven, mijnheer of mevrouw te voegen. Zij noemen dit met twee woorden spreken.' Maar dit wordt meestal te ver gedreven. De hoogere standen maken slechts een zuinig gebruik van dergelijke betitelingen.'

Kijk, zo kom je nog eens ergens, sociaal gesproken. Je vindt regels uit, en als iemand ze nauwgezet toepast, veracht je hem daarom. De etiquette in een notendop.