Daniel Day-Lewis

In een serie profielen van gezichtsbepalende filmsterren deze week Daniel Day-Lewis, de Engelse acteur voor wie een zeventiende-eeuwse boer eigenlijk een te gewone rol is.

Daniel Day-Lewis speelde zijn eerste grote rol in 1985 in My Beautiful Laundrette van Stephen Frears en in de zaal voelde het alsof iedereen, man, vrouw, homo, hetero, meteen verliefd op hem was, op dat geblondeerde rechtopstaande haar, op dat smalle delicate gezicht, op dat magere lijf waar een zacht joggingjasje omheen hing, op die lach waarom je zou willen smeken, zo verlichtte hij zijn gezicht.

Veel mensen wilden zelfs jaren later niet geloven dat Day-Lewis in 1985 in nóg een film speelde. Behalve de beminnelijke skinhead in de film van Frears was hij ook de zelfgenoegzame bal in A Room with a View van James Ivory. De zaal moest haar mening herzien: Daniel Day-Lewis was geen ster, maar een acteur, die alleen maar sexy was als zijn rol dat voorschreef. Gelukkig was dat een jaar later alweer het geval: in Philip Kaufmans The Unbearable Lightness of Being, zijn eerste Amerikaanse film, speelde hij een Praagse chirurg die van alle vrouwen houdt en zij van hem - Day-Lewis maakte het geloofwaardiger dan het in het boek van Milan Kundera had geleken. Maar een Oscar kreeg Day-Lewis pas voor zijn vertolking van de verlamde Ierse schrijver Christy Brown in My Left Foot (Jim Sheridan, 1989), een rol die met seks niets te maken had, al kreeg Day-Lewis het wel voor elkaar om Browns roep om erotische aandacht niet zielig maar terecht te maken.

Hoewel de Iers-joodse Day-Lewis (Londen, 29 april 1957), zoon van de dichter Cecil Day Lewis en de actrice Jill Balcon, kleinzoon van de filmproducent Michael Balcon, een gedegen Engelse theateropleiding kreeg, pakt hij het acteren Amerikaans aan. Niets is hem te dol om een personage te pakken te krijgen. Toen hij Newland Archer speelde in The Age of Innocence (Martin Scorsese, 1993) liep hij met hoge hoed en wandelstok door Manhattan en tijdens het filmen van My Left Foot kwam hij zijn rolstoel haast niet uit.

Day-Lewis is niet alleen beroemd om zijn films maar ook om zijn liefjes. In zijn 'hall of flames' zouden onder meer Julia Roberts, Madonna, Sinead O'Connor, Winona Ryder en Isabelle Adjani zijn opgenomen. Nu is hij getrouwd met de Amerikaanse actrice/regisseuse Rebecca Miller, dochter van Arthur. De film van schoonvader Miller is de eerste waarin Day-Lewis na een time-out van drie jaar weer speelt. De rol van ten onrechte van hekserij beschuldigde John Proctor moet hem hebben aangetrokken. Day-Lewis heeft een voorkeur ontwikkeld voor personages die niet alleen iets meemaken, maar ook iets zijn, en het liefst iets anders dan hijzelf. In dit opzicht lijkt de acteur op Meryl Streep, alleen bij hem heb je nooit het gevoel dat zijn transformaties op zichzelf prestaties zijn; hij stelt ze in dienst van het verhaal. Toch heeft Day-Lewis net als Streep het buitenissige nodig. In dat opzicht is Proctor nog niet gek genoeg; als Day-Lewis alleen maar een zeventiende-eeuwse boer hoeft te spelen, vervalt de acteur in klassiek toneelmatig vertoon. Vermomd voelt Day-Lewis zich tot nu toe het meest op zijn gemak.