Consensus over geweldloosheid in Kosovo taant

In maart 1989 pakten de Serviërs het voornamelijk door Albanezen bewoonde Kosovo zijn autonomie binnen Servië af. Sindsdien is het er betrekkelijk rustig gebleven, ondanks een harde Servische repressie. Maar na acht jaar steekt onder de Albanezen verdeeldheid de kop op.

ROTTERDAM, 4 JUNI. Sinds 1989 is in Kosovo een dubbele samenleving gegroeid: de officiële, bovengrondse samenleving wordt beheerst door de Serviërs, maar daarin draaien de Albanezen (90 procent van de bevolking) niet of nauwelijks mee. Een grote meerderheid van de Albanezen doet niet mee aan verkiezingen, komt niet in ziekenhuizen, heeft geen officiële baan en boycot het onderwijs. Zij hebben zich ondergronds georganiseerd, met eigen onderwijs, eigen ziekenhuizen, een eigen sociaal en belastingstelsel, een eigen regering, parlement en staatshoofd.

Geweld van de kant van de Albanezen heeft sinds 1989 vrijwel ontbroken. De Albanezen weten dat een gewapende opstand onherroepelijk leidt tot een bloedbad op een nog veel grotere schaal als dat in Bosnië: de Serviërs hebben de macht en de wapens - en van allebei heel veel. Zij zijn ten aanzien van Kosovo - dat ze zien als 'wieg' van de Servische natie - nog veel vastbeslotener dan ten aanzien van Servische delen van Bosnië en Kroatië. Servische nationalisten zouden een Albanese opstand zelfs verwelkomen als een methode om voor eens en voor altijd van de gehate Albanezen af te komen - door hen af te maken of door hen massaal naar Albanië te verdrijven.

De consensus over de geweldloosheid is voor alles het werk van Ibrahim Rugova, de ondergrondse 'president' van de zelfuitgeroepen 'Republiek Kosovo' en leider van de Democratische Liga van Kosovo LDK. Zijn doel is de onafhankelijkheid van Kosovo. De afgelopen maanden zijn er echter steeds meer aanwijzingen dat zijn invloed afneemt. Van twee kanten wordt zijn beleid aangevochten.

Aan de ene kant is er de bedreiging van Adem Demaçi, de 'Mandela van Joegoslavië', die 28 jaar gevangen heeft gezeten om zijn denkbeelden. Hij werd in 1990 vrijgelaten en leidt sinds januari een eigen 'Parlementaire Partij van Kosovo' (PPK). Demaçi pleit voor een compromis met de Serviërs en vindt dat de Albanezen hun hoop op onafhankelijkheid beter kunnen opgeven. Ze moeten volgens hem werken aan de vorming van een Joegoslavische federatie met drie gelijkwaardige gebieden: Servië, Montenegro en Kosovo. Ook op strategisch gebied wil Demaçi de zaken anders aanpakken dan Rugova. Zo wil hij - anders dan Rugova, die zich het zeer nationalistische verleden van mensen als Zoran Djindjic en Vuk Draškovic herinnert - samenwerken met de Servische oppositiecoalitie Zajedno. Aan de andere kant van het spectrum bestaat een nog veel gevaarlijker bedreiging van Rugova's autoriteit: die van Albanese extremisten die zien hoe acht jaar geweldloosheid de Albanezen niets heeft opgeleverd. Begin vorig jaar kwam het voor het eerst tot aanslagen van een 'Bevrijdingsleger van Kosovo' (UÇK) tegen Serviërs en tegen Albanese 'collaborateurs'. De UÇK, die Rugova en zijn LDK uitmaakt voor 'defaitisten' en hun beleid voor 'verrot, ruïneus en verraderlijk', heeft sinds februari vorig jaar rond dertig mensen in Kosovo vermoord.

De Servische autoriteiten vervolgen de UÇK met zeer harde hand. Tientallen van het lidmaatschap van de UÇK verdachte Albanezen zijn opgepakt en gemarteld. Zeker zes van hen zijn sinds het begin van dit jaar overleden aan wat een Bondsdaglid eerder dit jaar na een bezoek aan Kosovo omschreef als “foltering middeleeuwse stijl”. In februari maakten de Serviërs melding van de aanhouding van de leider van de UÇK, Nait Hasani (32), eigenaar van een pizzeria. Hij werd twee dagen lang zwaar gemarteld, werd in een ziekenhuis opgenomen, en verdween: ooggetuigen zagen hoe hij op een brancard werd weggevoerd om niet meer op te duiken. Hasani lag onder een wit laken, alsof hij al dood was.

Sinds kort opereert in Kosovo nog een tweede verzetsorganisatie die geweld predikt en gebruikt: de Nationale Beweging voor de Bevrijding van Kosovo (LKCK). Eind mei werd een eerste groep van twintig vermeende LKCK-leden tot gevangenisstraffen van twee tot tien jaar veroordeeld, na een proces dat tot scherpe kritiek van mensenrechtenorganisaties en het buitenland leidde, omdat de 'bekentenissen' het resultaat waren van martelingen.

Het proces en de uitspraken waren voor de LKCK op 1 juni aanleiding een beginselverklaring uit te geven. De Albanezen, aldus die verklaring, moeten een eind maken aan “het serviele beleid” jegens de Serviërs. Doel van de organisatie is “de bevrijding van de etnisch-Albanese gebieden van het juk van de [Servische] onderdrukking en hun aansluiting bij Albanië”. De LKCK is overtuigd dat de “pacifistische politiek' van Rugova tot niets leidt en dat “de gewapende strijd het enige middel is om de vrijheid te verkrijgen”.

De toename van het geweld in Kosovo aan de ene kant en de groeiende invloed van Demaçi aan de andere kant doen vermoeden dat de consensus rond het beleid van de tot voor kort onaangevochten Rugova taant. Demaçi en de twee verzetsgroepen verschillen van mening over de middelen, maar hebben met elkaar gemeen dat ze Rugova's beleid mislukt achten en vinden dat de Albanezen naar andere vormen van verzet moeten zoeken. Kosovo kon wel eens een periode van onrust en instabiliteit tegemoet gaan.