Arthur Miller schreef zelf scenario voor verfilming van zijn toneelstuk The Crucible; Iedereen is schuldig, maar niet aan hekserij

The Crucible. Regie: Nicolas Hytner. Met: Daniel Day-Lewis, Winona Ryder, Joan Allen, Paul Scofield, Bruce Davison, Rob Campbell, Jeffrey Jones, Peter Vaughan. In 10 theaters.

Wat heb je eraan als een dode van je houdt? Het is een van de vragen die het toneelstuk The Crucible stelt, de laatste vraag, een vraag met een Antigone-achtige heroïek. Deze dode wil over het graf heen regeren. Hij mag kiezen: als hij sterft is hij een goed mens, als hij leeft is hij een mens. De keuze lijkt niet zo moeilijk. Maar The Crucible was toneelstuk en is nu een film en dan wordt de dode door te sterven al snel een held. Kunst kan daden uitvergroten: wat in de werkelijkheid uitzondering is, wordt in de kunst regel. De acteur die de toekomstige dode in The Crucible speelt heeft dus een zware rol: hij moet ons laten geloven dat hij een held is. Echt.

The Crucible speelt in 1692, toen in het puriteinse dorp Salem in Massachusetts een heksenjacht uitbrak die negentien mensen naar de galg voerde. In het stuk is het vooral de dood van één man, John Proctor, die er toe doet: als hij zijn hekserij bekent, blijft hij leven. Ontkent hij, dan moet hij aan de galg, want wie ontkent is nog steeds toegewijd aan de duivel.

Arthur Miller schreef The Crucible in 1953, als reactie op de jacht op communisten die de Amerikaanse senator McCarthy in gang had gezet en waarvan hij ook zelf het slachtoffer werd. Zowel in de zeventiende als in de twintigste eeuw werden onschuldigen verketterd en onder het mom van religie of ideologie werden persoonlijke vetes uitgevochten.

The Crucible heeft McCarthy overleefd en is een van de meest gespeelde toneelstukken van deze eeuw geworden, een verhaal over collectieve hysterie en persoonlijke passie dat op elke tijd kan slaan. Iedereen in The Crucible is schuldig, zij het niet aan hekserij. Onder het heksenproces heeft Miller een driehoek van man, vrouw en nog een vrouw gelegd. John Proctor is schuldig omdat hij overspel pleegde, zijn lief Abigail Williams omdat ze de dood van de vrouw van Proctor nastreeft door haar van hekserij te beschuldigen. Abigail is immers de eerste onder de behekste meisjes en wie zij aanwijst, gaat eraan. Maar ook deze Elizabeth Proctor is schuldig. “Ik moet mijn eigen zonden tellen”, laat Miller haar tegen het einde zeggen. “Er is een koude vrouw nodig om tot ontucht aan te sporen.” Het is deze driehoek die The Crucible toch nog gedateerd maakt, nog afgezien van het feit dat in een verhaal over de heksenjacht, die toch vooral vrouwelijke slachtoffers maakte, een man uiteindelijk de hoofdrol kreeg.

Het toneelstuk is nu voor de tweede maal een film geworden. Voor de eerste film, Les Sorcières de Salem uit 1957, schreef Jean-Paul Sartre het scenario. Voor The Crucible adapteerde Arthur Miller zijn eigen toneelstuk, nadat hij daar jaren weerstand aan had geboden; Miller wilde geen afscheid nemen van de woorden die het verhaal in het toneelstuk vertellen. De regie is van de Engelse theaterregisseur Nicolas Hytner, die in 1994 met succes Shakespeare's The Madness of King George verfilmde. Veel dialogen zijn behouden gebleven, ze worden alleen op een andere plek gezegd: buiten in plaats van binnen. Voor de opnames werd op Hog Island, een klein eiland op een paar kilometer afstand van het echte Salem, overtuigend een deel van het dorp nagebouwd. Hytner heeft er echter voor gewaakt dat de kijker zich verlustigd aan zeventiende-eeuwse schuren en kostuums en aan het landschap van Hog Island, dat er nog maar nauwelijks door de boeren getemd uitziet. Het verhaal blijft voorgaan, ook al kunnen we nu zien dat de meisjes in de bossen hebben gedanst in plaats van het alleen maar te horen vertellen. Voor sommige scènes moet Miller weer in de heksenprocessen van Salem zijn gaan lezen; de scène waarin de behekste meisjes het rechtsgebouw ontvluchten en de zee inrennen is in de oude verslagen bijvoorbeeld terug te vinden.

Maar meestal blijven we ook in de film binnen - The Crucible is nu eenmaal een rechtbankdrama. Alleen mag de kijker nu het geen stuk meer is van zijn plaats in de zaal opstaan en tussen de acteurs, van wie velen uit het theater komen, rondlopen. Dan kan hij bijvoorbeeld van dichtbij het trillende oog van rechter Danforth bekijken, een oog dat net zo trefzeker acteert als op het toneel het hele lichaam van Paul Scofield. Scofield en Winona Ryder maken hun personages sympathieker dan je uit het verhaal zou opmaken, en dat geeft de film kracht. Scofield doet geloven dat hij echt in hekserij gelooft. Ryder moet eigenlijk dezelfde rotrol spelen als Glenn Close in Fatal Attraction, de vrouw die na een slippertje wraak neemt op het hele gezin van de man die ze tot dat slippertje verleidde. Maar Ryder laat Abigail Williams groot medelijden oproepen - een prestatie. Abigail wordt bijna met recht een kreng. Het licht archaïsche taalgebruik van Miller (is all in plaats van that's all) klinkt bij geen van de acteurs gek, maar bij haar klinkt het mooi.

Joan Allen weet als de inmiddels zwangere Elizabeth haar zonden pijnlijk oprecht op te biechten. En dan is het aan de man in het verhaal om een held te worden, een held zoals Day-Lewis hem al de hele film gespeeld heeft, zijn woorden tot de laatste letter uitspuwend, zijn gebaren groots en afgemeten, zelfs als hij bijna dood moet. Miller en Hytner maken het Daniel Day-Lewis moeilijk.

Ze hebben Elizabeth zo rechtschapen gemaakt dat ze alleen van Proctor kan houden als hij geen valse bekentenis aflegt, als hij zijn goede naam niet bezoedelt. Denkt hij tenminste. Zij zegt het niet. Hij mag het zelf verzinnen. Proctor sterft als een goed mens. Maar wat heb je eraan als een dode van je houdt?