Wilhelmina (1)

Fasseurs beschouwingen (21 mei) over wat de Duitsers eventueel allemaal gedaan zouden kunnen hebben wanneer ze in Nederland een staatshoofd of een regering zouden hebben aangetroffen, raken niet de kern van de discussie. Natuurlijk hadden ze overal elk door hen gewenst regime kunnen installeren.

Feit is echter dat ze in de praktijk overal waar ze regeringen of staatshoofden aantroffen een militair bestuur instelden en het lokale bestuursapparaat, althans aanvankelijk, een zekere mate van handelingsvrijheid lieten.

Het belang daarvan is niet dat zo'n militair bestuur zich vervolgens keurig aan het landoorlogsreglement hield. Dat gebeurde nergens, en uiteindelijk zijn de Duitsers overal tot jodenvervolging overgegaan. De Wehrmachtgeneraals hadden echter meestal andere prioriteiten dan de nazipartijbonzen die in Nederland, Noorwegen (44,8 procent slachtoffers, wat heel hoog is, gegeven de overige hier vermelde factoren) en Polen (90 procent slachtoffers) werden aangesteld als gouverneur of rijkscommissaris.

Bovendien vertraagde de rivaliteit tussen de Wehrmacht en de SS, die in civiel bestuurde gebieden veel sneller oppermachtig werd, het nazificeringsproces. Als gevolg hiervan was in militair bestuurde gebieden de nazificering van het bestuur veel minder totaal en kwam de vervolging veel trager op gang. Ook was er meer tegenwerking op hoog niveau mogelijk, wat voor de bereidheid tot medewerking elders beslist verschil zou hebben gemaakt: zie België, zie natuurlijk vooral Denemarken.

Men kan Wilhelmina moeilijk kwalijk nemen dat ze al deze consequenties niet kon overzien. Dat Leopold III, die een andere afweging maakte, en op wiens interpretatie van de Belgische grondwet ook het nodige valt aan te merken, achteraf met een koningskwestie werd geconfronteerd, was van tevoren evenmin te voorspellen. Juridische scherpslijperij en het schermen met termen als 'hoogverraad' zijn enigszins overtrokken ten aanzien van zulke beslissingen in tamelijk verwarde noodsituaties. Maar wanneer men achteraf de (grotendeels onvoorziene) gevolgen inventariseert, dient men ook de negatieve gevolgen te erkennen. De eenzijdigheid en de nationalistische hoogmoed waarmee Fasseur de rampen schetst waarvoor Wilhelmina Nederland heeft behoed, maken zijn betoog moeilijk verteerbaar.

En wat een misplaatst dédain voor België! Wilhelmina heeft 'ons' (heel altruïstisch) behoed voor een koningskwestie, maar wat zouden de andere effecten zijn geweest van 'Belgische' toestanden in het bestuur tijdens de bezetting? Zulke toestanden hadden waarschijnlijk niet automatisch geleid tot het dalen van het gruwelijke Nederlandse percentage slachtoffers tot 'Belgisch' niveau. Het verschil tussen de halfhartige Belgische collaboratie en de efficiënte medewerking van het geheel aan de nazi's uitgeleverde Nederlandse overheidsapparaat zou echter wel iets hebben uitgemaakt. Wat is dat voor een bizar waardensysteem, waarin duizenden (joodse) mensenlevens veel minder zwaar wegen dan een koningskwestie?

Het pijnlijke is dat deze opvatting van 'landsbelang' in Nederland zowel vóór, in, als lange tijd na de oorlog vrijwel vanzelfsprekend was en, blijkens Fasseurs artikel, nog steeds wordt gehanteerd.