Waddenvereniging wil windturbines alleen bij haven of industrieterrein

De Waddenvereniging is voorstander van windenergie. Maar de milieu-organisatie is verdeeld over de vraag waar de metershoge turbines moeten worden neergezet.

LEEUWARDEN, 3 JUNI. Windenergie ja! Maar niet tot elke prijs. Niet bijvoorbeeld als de schone energievorm ten koste gaat van het landschap. Dat is sinds zaterdag het officiële standpunt van de Waddenvereniging, na een worsteling tussen leden, bestuur en medewerkers.

De milieu-organisatie was tot op het bot verdeeld over de vraag waar de metershoge turbines moesten komen. De helft van de leden, zo wees een enquête uit, vindt dat wie voorstander is van schone en duurzame energie niet moet zeuren over een aantasting van het landschap. De andere helft redeneert precies andersom: de windmolens detoneren in het kustlandschap en tasten het unieke, open karakter ervan aan.

De ledenvergadering nam met ruime meerderheid een motie aan van actiecoördinator C. Alma. Daarin werd windenergie als een industriële activiteit bestempeld. Molens horen volgens die zienswijze alleen (in clusters) thuis bij havens en op industrieterreinen. Windmolens, behalve de kleine tweewiekige Lagerwey-molens, zijn voor de milieu-organisatie voortaan taboe bij boerderijen en op het platteland.

Het bestuur had voorgesteld molens op minimaal twee kilometer van de zeedijken toe te staan. Er zou dan geen sprake zijn van horizonvervuiling vanaf de Waddenzee. Vice-voorzitter B. Heidenrijk: “Als je vanaf de Waddenzee landinwaarts kijkt, zou je dan niet allerlei turbines zien draaien.” De zeventig aanwezige leden lieten echter een duidelijk 'nee' horen. Heidenrijk: “Het onderwerp windenergie is lastig bespreekbaar, omdat emoties meespelen. De één vindt draaiende molens prachtig, een ander vindt het ondingen en krengen die niet in het landschap thuishoren.”

Heidenrijk zelf vindt molens geen landschapsvreemde elementen. Vijftien jaar geleden was hij betrokken bij de eerste windturbines van Henk Lagerwey die experimenteerde met houten palen en wieken. “Dat vond ik schitterend en ik heb windmolens vanaf die tijd altijd gepropageerd.” Privé financiert hij samen met een paar buren een windparkje - vijf à zeven molens - in de Noordfriese gemeente Het Bildt.

Actiecoördinator Alma zegt dat een milieu-organisatie als de Waddenvereniging windenergie principieel nooit kan afwijzen. “Het is een misvatting dat we dat wel zouden doen. Windenergie is onomstreden. De discussie was waar je de turbines moet neerzetten.” Volgens Alma kan dat per definitie niet langs de Noordgroninger of Noordfriese waddenkust. “Het open kustlandschap moet worden beschermd. Het is namelijk onlosmakelijk met het Waddengebied verbonden. De oude dijklichamen en de sloten horen bij de Waddenzee. Dat landschap is ons heel veel waard. Die turbines zijn soms twee of drie keer zo groot als de kerktorens in een dorp. Geen gezicht aan de kust. En er is nu elders genoeg ruimte voor.”

Alma doelt daarmee op de Eemshaven, waar vorig jaar het grootste windmolenpark van Europa werd geopend, de vissershaven van Lauwersoog, de industriehaven van Harlingen en de marinehaven in Den Helder. Alma ziet over een jaar of vijf reusachtige windmolenparken in de Noordzee verrijzen. Greenpeace kwam vorige week met het plan zestig kilometer ten noordwesten van Vlieland een dergelijk megapark, met 3.000 windturbines, te bouwen. Alma: “Ik hoop dat dat doorgaat. Midden in de Noordzee is veel meer wind dan aan de kustzone en de molens kunnen daar veel hoger zijn.”