Surinamer van tweede generatie voelt zich nauwelijks Surinamer; 'Integratie sneller dan gedacht'

Surinamers van de tweede generatie zijn gemiddeld beter opgeleid dan Nederlanders van dezelfde leeftijdsgroep. De term 'etnische minderheid' geldt voor hen niet, vindt sociaal-psycholoog

AMSTERDAM, 3 JUNI. Met veel jonge Surinamers gaat het stukken beter dan tot dusver werd aangenomen. Dit noemt de Amsterdamse sociaal-psycholoog Anja van Heelsum de opvallendste uitkomst van haar onderzoek De etnisch-culturele positie van de tweede generatie Surinamers, waarop zij vandaag hoopt te promoveren. Zij integreren sneller in de Nederlandse samenleving dan werd gedacht en hun gemiddelde opleidingsniveau blijkt hoger dan dat van Nederlandse leeftijdgenoten.

“Heel vreemd is mijn conclusie nu ook weer niet”, zegt Van Heelsum in haar werkkamer in het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam. “Onderzoeken naar jonge Surinamers hadden meestal een probleem als uitgangspunt. Ze gingen over drugsgebruik of criminaliteit. Gewone jongeren vielen minder op.”

Tweede-generatie-Surinamers hebben ten minste één Surinaamse ouder en zijn in Nederland geboren of hier als baby gekomen. Van Heelsum hield een steekproef onder driehonderd jonge Surinamers tussen 15 en 35 jaar. Zij beantwoordden vragen over hun opleidingsniveau en maatschappelijke status, hun etnische identiteit, discriminatie en het gevoel 'in een hokje te worden gestopt'. Van Heelsum lichtte haar onderzoeksgroep uit het Amsterdamse bevolkingsregister. “Veel Surinamers had ik anders niet eens als zodanig herkend - ze hadden soms blond haar en blauwe ogen.” 40 procent, een 'opvallend hoog' percentage, bleek één Nederlandse ouder te hebben.

In totaal volgt ruim de helft van de ondervraagden een opleiding. Een kwart van de onderzoeksgroep studeert aan een universiteit; 14 procent volgt een hogere beroepsopleiding. Daarmee volgt een groter percentage van de tweede generatie Surinamers een hogere opleiding dan Nederlanders van dezelfde leeftijd. Ook het gemiddelde opleidingsniveau van de Surinamers die hun opleiding hebben afgerond, bleek hoger dan dat van Nederlanders.

Van Heelsum wijst erop dat werkloze of laag opgeleide Surinamers mogelijk minder geneigd waren aan haar onderzoek deel te nemen. “Maar de goede scholing van de tweede generatie is ook verklaarbaar vanuit de eigen achtergrond. De eerste generatie Surinaamse migranten die hier kwam studeren, kwam uit de gegoede klasse. Met name hun kinderen hebben een hoog opleidingsniveau. En ook de lager opgeleide Surinamers die midden jaren zeventig naar Nederland kwamen hebben hun kinderen enorm gepushed om verder te komen.”

Toch is 21 procent van de ondervraagden werkloos, terwijl het werkloosheidspercentage onder Nederlandse jongeren 16 procent is. Van Heelsum: “Daar staat weer tegenover dat de tweede generatie het beduidend beter doet dan Surinamers van dezelfde leeftijd die pas op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen. Van hen is 45 procent werkloos.”

Slechts een kwart van de ondervraagden heeft per telefoon of post contact met inwoners van Suriname en nog geen kwart van de ondervraagden zegt de Surinaamse voertaal Sranan Tongo goed te beheersen. 80 procent spreekt thuis Nederlands. Gevraagd naar de eerste vriend die in ze opkomt noemt ruim de helft een Nederlander. Zelden bleek een ondervraagde zich spontaan als Surinamer te presenteren. 43 procent zegt zich ook helemaal geen Surinamer te voelen.

Van Heelsum: “De tweede generatie krijgt van de eerste generatie vaak te horen dat ze 'verhollandst' is. Dat ze zich anders opstelt dan een 'echte Surinamer'. Een hot item onder Surinamers is wat dat betreft het bejaardentehuis: 'echte' Surinamers zouden hun ouders altijd in huis opnemen. Jonge Surinamers zijn daar niet altijd toe bereid.”

De meeste ondervraagden geloven dat de Nederlandse maatschappij redelijke kansen biedt aan wie zich daarvoor inspant. Een meerderheid zegt nooit iets van discriminatie te merken, hooguit in positieve zin als weer eens om een recept voor roti wordt gevraagd. Wel nemen ze een 'constante wantrouwige ondertoon' waar en denken ze dat autochtone jongeren meer kansen hebben dan zijzelf.

“Tweede-generatie-Surinamers willen niet als Surinamer worden aangesproken als dat inhoudt dat ze een probleemgroep zijn”, zegt Van Heelsum. In overheidsbeleid kan het verhogen van hun opleidingsniveau volgens haar minder nadruk krijgen. “Maar wat betreft arbeidskansen en discriminatie moet nog veel voor ze worden gedaan.” Om te beginnen kan de kwalificatie 'etnische minderheid' voor tweede-generatie-Surinamers worden aangepast. “Die term veronderstelt een achterstand die een grote groep jonge Surinamers allang heeft weten in te lopen.”