Poldermodel is geen uitvinding van paars

Het paarse kabinet laat de laatste tijd tevreden de internationale lof voor het poldermodel over zich heen komen. Jan Peter Balkenende vraagt zich af of dat terecht is. Al onder Lubbers is de basis gelegd voor het economische herstel.

Klompen, windmolens en tulpen hebben jarenlang borg gestaan voor toerisme van buitenlanders naar Nederland. Inmiddels is er een ander soort toerisme ontstaan: het poldermodeltoerisme. De ene na de andere missie uit andere landen bezoekt Nederland. Organisaties als de WRR, de SER, VNO-NCW, FNV en CNV, ministeries en universiteiten worden overspoeld met geïnteresseerden die de achtergronden willen weten van de successen van de Nederlandse economie. VNO-NCW-voorzitter Blankert verzuchtte onlangs: “Het poldermodel komt onze neus uit”, daarmee doelend op het steeds maar weer uitleggen dat loonmatiging en lastenverlichting tot de successen hebben bijgedragen. Samenwerking tussen overheid, werkgevers en werknemers is onontbeerlijk.

De paarse regeringscoalitie laat zich de lof uit het buitenland welgevallen. In het spoor van de vorig jaar op gang gekomen waardering van het Nederlandse model worden in de laatste Troonrede enkele positieve woorden geuit in de richting van de sociale partners. Daarvoor werden dergelijke geluiden echter nauwelijks gehoord. Het sociaal-economische beleid van de huidige regering en de successen van het poldermodel lijken samen te vallen. Columnist H.J.A. Hofland stelde recent in deze krant het poldermodel en het 'paarse model' op één lijn (14 mei). Via 'verstandig, intuïtief en tactisch manoeuvreren' zouden socialisten van Kok, liberalen van Bolkestein en nondescripte vrijdenkers van Van Mierlo een paars model hebben ontwikkeld. “Dat is het politieke model waaruit het economische is gegroeid, nu internationaal bekend als het 'succesvolle poldermodel'. Het heeft geen scherp omschreven concept; het heeft voornamelijk een agenda die in de praktijk doelmatig is gebleken.”

Op de juistheid van dergelijke waarnemingen valt wel wat af te dingen. Het poldermodel wordt doorgaans gezien als een vorm van sociaal-economische ordening waarbij de betrokken partijen - werkgevers, werknemers, overheid - waarde toekennen aan algemene, gemeenschappelijke doelstellingen, daarover afspraken maken en elkaar daar ook aan houden. Via coördinatie en consensusvorming wordt werk gemaakt van loonmatiging, lastenvermindering en werkgelegenheidsbevordering. In recente discussies wordt steevast gewezen op het Akkoord van Wassenaar uit 1982. Toch spelen ook 'confronterende' beleidsmaatregelen van de kabinetten-Lubbers een rol. Toen is met de nodige pijn en moeite de basis gelegd voor het financieel-economische herstel. Het Nederlandse model is zeker niet altijd het toonbeeld van louter harmonie.

De grondslagen van het poldermodel liggen uiteraard dieper. Het heeft te maken met maatschappelijke tradities en sociaal-culturele achtergronden. Ik noem de leerstukken van de rooms-katholieke 'subsidiariteit', de sociaal-democratische 'functionele decentralisatie' en de antirevolutionaire 'soevereiniteit in eigen kring'. Albeda merkte onlangs naar aanleiding van het boek Vertrouwen in de economie: het debat op dat het poldermodel geworteld is in alle sociale en politieke stromingen en juist ook in de christelijk-sociale traditie.

De successen van het poldermodel komen niet uit de lucht vallen; er is veel aan voorafgegaan. Het naoorlogse Nederland werd opgebouwd via consensusvorming en gemeenschappelijke inzet, zij het dat in die tijd nog de hiërarchie en de top-downstructuren voorop stonden. In de jaren tachtig werd op een nieuwe manier vorm en inhoud gegeven aan gemeenschappelijke inzet en verantwoordelijkheid.

De jaren zeventig leverden een ander beeld op: het ging toen veel meer om een 'nieuw linksachtige' ordeningsfilosofie, waarin polarisatie soms een deugd leek. Het poldermodel is méér dan een 'in de praktijk doelmatig gebleken agenda'.

De plotselinge internationale aandacht voor het poldermodel komt ontegenzeglijk voort uit de economische prestaties van Nederland. Er kleven nadelen aan het model - met name een betrekkelijk hoge graad van non-participatie - maar de economie vertoont in vergelijking met veel andere landen een gunstig beeld. Wat heeft Nederland wat andere landen niet hebben?

Toch blijft die aandacht opvallend. Nog maar enkele jaren geleden werd Nederland bekritiseerd - 'the sick man of Europe', 'Dutch disease' - wegens de vermeende onvoldoende economische dynamiek, de starheid van de arbeidsmarkt en de overmaat aan regels. Ook in eigen land werd de overlegeconomie gehekeld. Als de overlegeconomie ergens mee werd vereenzelvigd was het wel met 'stroperigheid'. Instellingen als de Sociaal-Economische Raad en de Stichting van de Arbeid moesten het ontgelden. Sociale partners zouden langzamerhand hun functie en betekenis verliezen. De CAO en zeker de algemeen verbindendverklaring ervan leken hun langste tijd te hebben gehad. Van liberale kant werd fel gefulmineerd tegen de overlegeconomie.

Deze kritiek - zo kan achteraf worden vastgesteld - heeft bindend gewerkt bij de totstandkoming van de paarse coalitie. Het regeerakkoord stond niet in het teken van overleg, gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers en de rol van het maatschappelik middenveld. Het regeerakkoord werd juist gekenmerkt door een paars compromis waarbij het aan de ene kant ging om 'herstel van het primaat van de politiek' en aan de andere kant om 'marktwerking en concurrentie'. Dit 'paarse model' had maar weinig te maken met zoiets als een poldermodel.

De beleidskeuzes die de huidige regeringscoalitie deed, werden gekenmerkt door een model waarbij nu eens overheidsregie de boventoon voert, dan weer marktwerking. De afschaffing van de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Ziektewet werd geënt op de overweging dat collectieve arrangementen kunnen worden teruggedrongen, omdat men (particulier, individuele werkgever) zich kan verzekeren. Ook de Pemba-operatie in de sfeer van arbeidsongeschiktheidsregelingen vloeit uit dezelfde gedachte voort. De rol van sociale partners werd en wordt teruggedrongen, ook in de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid. Het gaat ten principale om een staat-marktmodel.

Hetzelfde geldt ook voor de operatie Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit. Versoepeling van winkeltijden en vestigingseisen, het toegroeien naar een 24-uurseconomie en het meer en meer beschouwen van de zondag als een gewone dag hebben alles te maken met liberalisering. Beleidskeuzes in de sfeer van media, maatschappelijke zorg en openbaar vervoer werden door paars in een perspectief geplaatst van marktwerking.

Er is meer dynamiek, persoonlijk maatwerk, ondernemingszin en flexibiliteit geboden voor een vitale, toekomstgerichte economie, waarbij echter een goede sociale infrastructuur noodzakelijk is. Daarin spelen dus ook sociale partners nadrukkelijk een rol.

Van dat inzicht is bij 'paarse' beleidsmaatregelen soms weinig merkbaar. Het is misschien eerder 'ondanks' dan 'dankzij' paars, dat het poldermodel succesvol is gebleken. SER-voorzitter De Vries merkte onlangs op dat paars etatistisch is. De waardering voor het poldermodel berust eerder op een waardering achteraf dan op een positieve bejegening 'vooraf'. CDA-senator Rongen ontwaart een 'paarse spagaat' als het gaat om het poldermodel. Het kabinetsbeleid hinkt naar zijn mening op twee gedachten: “De ene gedachte is zich bekommeren om en bekennen tot het poldermodel en de voordelen van de overlegeconomie aanvaarden respectievelijk bepleiten. De andere gedachte is echter het terugdringen van de zelfregulerende rol van sociale partners en een willekeurige verdeling van publiek en privaat domein, waardoor het publieke domein de ene keer te weinig en de andere keer te veel pretendeert.”

De bejubeling van het poldermodel is van betrekkelijk recente datum, komt vooral voort uit waardering van de economische prestaties van Nederland en is met name afkomstig uit het buitenland. Toch is er meer aan de hand. Na de Tweede Wereldoorlog werd aanvankelijk gekozen voor keynesiaanse, overheidsgeoriënteerde opvattingen. Vanaf het einde van de jaren zeventig traden meer marktgerichte neoklassieke inzichten op de voorgrond. En inmiddels neemt de betekenis van 'institutional economics' toe. Steeds meer wordt aandacht geschonken aan de betekenis van instituties, waarden en normen op economisch terrein.

In betrekkelijk korte tijd is de aandacht toegenomen voor 'vertrouwen'. 'High trust economies' doen het, aldus Francis Fukuyama in zijn veel geciteerde boek Trust, beter dan 'low trust societies'. Alain Peyrefitte geeft met zijn La société de confiance vergelijkbare signalen. Vertrouwen omvat meer dan op elkaar kunnen rekenen. Het heeft ook te maken met het dragen van maatschappelijke verantwoordelijkheid, met het hebben van een visie op een goede samenleving en met aandacht voor morele grondslagen. Niet voor niets wordt een debat als dat over de interne gedragscode van Shell in het perspectief geplaatst van de 'civil society'.

Het poldermodel is niet slechts succesvol omdat er economisch goede en vertrouwenwekkende afspraken worden gemaakt. Het krijgt betekenis omdat het gedragen wordt door een 'cultuur van verantwoordelijkheid'. Een dergelijke cultuur stijgt uit boven verstandig, intuïtief en tactisch manoeuvreren van de paarse coalitie, hoe kenmerkend dit manoeuvreren in de huidige politieke context ook mag zijn.