Oplichters

Er is uitgezocht dat in 1877 voor het eerst grappen gemaakt werden, door cabacretiers en cartoonisten, over schilders die hun handtekening zetten op een leeg doek en dat vervolgens voor veel geld te koop aanboden. Het begin van de moderne kunst, zou je kunnen zeggen. In ieder geval het begin van de angst om voor de gek gehouden te worden door charlatans die zich kunstenaar noemen.

Maar ook is er de angst om blind en doof te zijn en een domme indruk te maken op de mensen die wel kunnen zien en horen. Zo balanceren wij sinds 1877.

De boze verbazing als ik zie dat iemand (deze week C.W. Rietdijk in HP/De Tijd) knort dat er geen politicus is die durft te zeggen dat het werk van Lucebert maar onzin is. Rietdijk is erg streng en Mondriaan vindt hij ook onzin. Ik beschouw hem als blind. Daar staat tegenover dat er kunstenaars zijn die ik zelf als onzinmakers beschouw en het kan niet anders of er zijn mensen die mij blind vinden.

Ik ben een fan van de kunstenaar Marcel Duchamp. Ik heb een flink plankje met boeken over zijn werk en zijn leven. In mijn werkkamer hangen een paar foto's van hem. In het Philadelphia Museum of Art heb ik in de souvenirwinkel een douchegordijn gekocht waarop zijn belangrijkste werk, Het Grote Glas, is afgebeeld, wat misschien niet goed is, want wat mij aantrok was de vreemdheid van de schilderijen die Duchamp tussen 1910 en 1915 maakte en vooral van Het Grote Glas, het vreemdste werk van alle. Die vreemdheid gaat er een beetje van af als je het iedere dag onder de douche ziet. Niet helemaal. De uitleg die door Duchamp en anderen is gegeven van dit werk, daar begrijp ik nog steeds heel weinig van, dat blijft.

In 1961 maakte ik deel uit van een groepje Amsterdamse schakers dat ter gelegenheid van de tentoonstelling Bewogen Beweging een telegrafische schaakpartij tegen Duchamp speelde. Later las ik dat zijn weduwe had gezegd dat het een zware tijd was geweest. Van slapen kwam niets want Marcel was de hele nacht bezig met de partij. Al hadden wij die partij tegen het echtpaar Duchamp verloren, ik was trots dat ik een kleine rol had gespeeld in het leven van de man die door sommigen als de invloedrijkste kunstenaar van deze eeuw wordt beschouwd.

Of die invloed gunstig is geweest, daar heeft zelfs zijn biograaf Calvin Tomkins twijfels over. Het is misschien mooi om in 1917 een op zijn kop gezette pisbak aan de muur te hangen en te zeggen dat het kunst is. Een krachtig einde van de kunst. Als het door navolgers opgevat wordt als een nieuw begin waarop eindeloos gevarieerd kan worden, is dat minder mooi.

Tomkins noemt zichzelf ook een fan en uit zijn boek blijkt dat vrijwel iedereen die Duchamp ontmoette binnen de kortste keren een fan werd, ook wie nog nooit een werk van hem had gezien. Iedereen hield van Duchamp, alle vrouwen wilden met hem naar bed en vaak mocht dat ook, maar iedereen beschrijft hem als een onaanraakbare die altijd zo op afstand bleef dat hij er bijna niet leek te zijn. Niemand nam het hem kwalijk.

De biografie werd een paar maanden geleden besproken in The New York Review of Books door iemand die kennelijk geen fan is, de kunst- en literatuurcriticus Roger Shattuck. Duchamp was een oplichter, schrijft Shattuck. Een intelligente oplichter, een oplichter van formaat, te vergelijken met grote oplichters uit de wereldliteratuur. Niet een incidentele oplichter, maar een man die zijn hele leven in dienst had gesteld van zijn bedrog en nu in de hemel lacht hoe hij ons allemaal bij de neus heeft gehad.

Op een moment tussen 1912 en 1917, schrijft Shattuck, heeft Duchamp met zichzelf een weddenschap gesloten over het artistieke en intellectuele klimaat waarin hij verkeerde. Hij besloot dat hij zijn plaats in de kunstgeschiedenis zou verwerven door voortaan niets van belang meer te doen. Toen Duchamp aan het eind van zijn leven in 1968 als gevierd kunstenaar de trappen naar een theaterpodium opliep om door het publiek gehuldigd te worden, hoefde hij niet naar de treden omlaag te kijken. Hij wist waar ze waren. De Meester had zijn weg vijftig jaar geleden al nauwkeurig uitgestippeld, aldus Shattuck, en hij wijst er op dat Duchamp een schaker was, die in strenge discipline had geleerd zijn strategie op lange termijn te plannen.

Het klinkt nogal fantastisch, moet ik zeggen. Een meesteroplichter die verkoos om tientallen jaren in armoede te leven, al was die niet bitter omdat Duchamp naar eigen zeggen 'het parasitisme tot een schone kunst had verheven'. Alleen om aan het eind van zijn leven roem te verwerven, in een kunstwereld die door Duchamp vaak een casino werd genoemd. Je moet wel een heel hoge pet ophebben van het perfide strategische meesterbrein van de schaker om dat te geloven. Helemaal zeker dat Shattuck ongelijk heeft ben ik niet, maar dat deert me niet.

In 1991 deed ik een bedevaart naar het huis van de weduwe van Duchamp in een dorp in de buurt van Fontainebleau. Ik wilde een boekje schrijven over de schaakloopbaan van Duchamp. Misschien wilde ik het niet echt, in ieder geval kwam er niets van en een paar jaar later was een Oostenrijker me voor.

Het huis was een waar museum van moderne kunst. Onbecijferbaar de waarde van de schatten die er te zien waren. Mevrouw Duchamp haalde een paar foto-albums uit de kast en liet me tientallen schaakfoto's zien. Ik herkende de gezichten van de schakers. Dat is Bobby Fischer, dat is Larry Evans, wie is die Filippijn? Waarschijnlijk Cardoso, waar Fischer toen hij klein was een match tegen speelde. Erg leuk, die oude foto's en het stelde me ook wel op mijn gemak dat we een gemeenschappelijke belangstelling hadden. Maar eigenlijk had ik over kunst willen praten, over Duchamp en zijn vrienden, en ik begreep niet goed waarom al die schaakfoto's voor de dag waren gehaald.

Ik begreep het pas later, toen ik hoorde dat bezoekers van dit huis in het verleden al heel wat waardevolle kunstwerken achterover hadden gedrukt. De foto's moeten een test geweest zijn, om te zien of ik niet een oplichter was, een kunstliefhebber op dievenpad die zich voor eerlijke schaker uitgaf.