Meelopers en verlaten huizen

Als uitgever 'lig' je met je produkten in kiosk of boekhandel, maar 'zit' je op Internet. Een dezer jaren vaak gestelde vraag aan uitgevers van papieren leeswaar is: “Zitten jullie al op Internet?” Van het woord 'al' gaat de suggestie uit dat wie nu niet op Internet 'zit', dat binnen afzienbare tijd gaat doen - ofwel een grote domoor is.

Uitgevers die nog niet investeerden in een eigen 'site', worden door de pioniers behoorlijk nerveus gemaakt. Aan wie er nu niet 'bij' is, zou 'straks' de voorspelde geldstroom door het elektronisch uitgeven voorbijgaan.

Onlangs verschenen twee rapporten, die de aarzelaars onder de uitgevers vooralsnog gelijk geven. Bureau Schravendeel en Partners kwam na een grootscheeps onderzoek tot de conclusie dat slechts 16,1 procent van alle Nederlandse uitgeverijen op het net aanwezig is. Een groot deel van de homepages van die 364 uitgevers-op-Internet leidt een kwijnend bestaan: meer dan een derde deel ervan reageerde zelfs in het geheel niet op email van de onderzoekers.

Ruim de helft van de sites bleek niet te vinden te zijn door het intikken van de meest voor de hand liggende domeinnamen: de volledige of helder afgekorte bedrijfsnaam of die van een uitgave. Veel uitgevers bleken ook niet aangemeld te zijn bij belangrijkste zoekmachines. Een van de meest onderschatte problemen bij elektronisch uitgeven is volgens de onderzoekers de oplaadsnelheid. Sommige uitgevers verzorgen ingenieuze en grafisch perfecte sites, maar beseffen niet dat de meeste thuiscomputers en lijnverbindingen niet in staat zijn dit materiaal binnen een aanvaardbare tijd zichtbaar te maken.

Over de kwaliteit van het gebodene waren Schravendeel en Partners evenmin te spreken. Essentiële informatie ontbreekt, hyperlinks wijzen niet door en de onderzoekers stuitten geregeld op sites die de indruk maken “alsof hun bewoner het huis hals over kop verlaten heeft”. Uitgevers doen er, uit reclame- en marketing-overwegingen, beter aan geen dan een rommelige site te onderhouden, wordt in het rapport betoogd. Die nonchalante houding ten opzichte van elektronisch publiceren wordt verklaard uit een mee willen doen om niet achter te blijven, zonder de implicaties daarvan goed te overdenken.

Uitgevers van kranten en tijdschriften zouden zich moeten afvragen in hoeverre hun site het papieren produkt slechts ondersteunt, dan wel daaraan waarde kan toevoegen. In het eerste geval onderscheidt de site zich nauwelijks van een advertentie of billboard. Als de elektronische uitgave waarde toevoegt, dan nog is de vraag of de relatief lage advertentie-inkomsten een investering rechtvaardigen. De lezer zal immers afhaken, zo blijkt uit een onderzoek van bureau Co-efficiënt, wanneer voor het raadplegen van met name kranten op Internet zal moeten worden betaald.

De Nederlandse dagbladen presenteren zich op Internet volgens de lezers onvoldoende, concluderen de samenstellers van dat rapport, 'Site-seeing 2gether, een online onderzoek naar webkranten'. De meesten bekijken de sites van verscheidene kranten om volledig geïnformeerd te raken. De lezers zouden graag actueler en vollediger nieuws op de sites aantreffen, evenals onderwerpen die worden ondersteund met beeld en geluid. Verder zouden de webkranten meer archiefdiensten moeten bieden en links naar documenten en artikelen over het onderwerp.

Een ontwikkeling naar 'push-media', waardoor een steeds ververste en op maat gesneden krant kan worden verkregen, wordt door de ondervraagden niet toegejuicht. Wie zijn nieuwsselectie scherp afbakent, kan namelijk tòch een buitengewoon belangwekkend bericht mis lopen. Dit soort elektronische knipselkranten, in Amerika onder de naam PointCast een groot succes, zijn strijdig met de onbevangen nieuwsgierigheid.