Knars, plonk, loei op hout met stroom

Concert: Jean-Paul Bourelly en Elliot Sharp (gitaar). Gehoord: 2/6 BIMhuis, Amsterdam.

Om elf uur greep Jean-Paul Bourelly plotsklaps de zangmicrofoon en gilde het hoge woord eruit: 'Why do you treat me so mean baby?' Het publiek in het BIMhuis veerde op; eindelijk iets dat begrepen kon worden, tot aan 'crying at the backdoor' toe.

Verstaanbare taal, daaraan was bij het als 'gitaar topconferentie' aangekondigde concert van Bourelly en Elliot Sharp gisteravond groot gebrek. Als de twee al met een plan naar deze conferentie gekomen waren, dan leek dat de vastberaden wil om zo doof mogelijk te blijven voor wat de wederpartij te berde zou brengen.

Dus bleven ze ieder aan hun eigen kant van de tafel, rijk gevuld met elektronica, en oreerden daar onaangedaan voor zich uit; heel luidruchtig en uiterst abstract.

Waar Bourelly heen wilde was soms nog wel duidelijk; in de richting van Jimi Hendrix. Hij legde niet voor niets een Tribute to Jimi vast, op het Japanse label DIW, en doet op zijn nieuwe cd Fade to Cacophony (Evidence 22167) erg zijn best ook als zanger op hem te lijken. Sharp daarentegen spande zich in op niets en niemand te lijken en strafte elk concreet gebaar van Bourelly af met een snelle duik in zijn knoppenkast.

Knars, piep, plonk en loei, wat kun je veel storen met een jankhout plus stroom, maar wat een vreemd gedrag van iemand die componist wil heten en ijverig schrijft voor strijkkwartetten.

Van een dialoog kwam dus vrijwel niets terecht, en de spannendste muziek werd opgediept uit computerbestanden, samples drumprogramma's enzovoort. Tot Bourelly dus begon te brullen over zijn gemene liefje, met wie hij misschien wel Elliot Sharp bedoelde.

Toen hij vervolgens iets aankondigde dat zijn opoe 'used to sing when I was a baby' leek het even dat de verhalende lijn het toch nog zou gaan winnen. Het tegendeel bleek echter het geval. Pas na een klein kwartier kakofonische keet hadden de gitaristen er eindelijk genoeg van en ruisten alleen de versterkers nog. Niet tegen stilte kunnen; dat is ook een motief voor een quasi-gesprek.