Holland is meer dan softdrugs

Het Institut Néerlandais te Parijs bestaat dit jaar veertig jaar. Dat is niet onopgemerkt gebleven. Ook NRC Handelsblad besteedde er met een artikel van correspondent Marc Chavannes aandacht aan (16 april). Hij schreef onder meer dat het de laatste jaren wel heel rustig was aan de Rue de Lille.

De Nederlandse cultuur zou meer omvatten dan Rembrandt en Loeki Stardust. Het eerste woord dat een gemiddelde Fransman uit als je 'Nederland' zegt, is volgens hem op dit moment: drugs. Hij pleitte er daarom voor om méér aandacht te besteden aan de contrasten tussen de Franse en Nederlandse opvattingen en de culturele verschillen. Wil het Institut Néerlandais volop functioneren in de jachtige hoofdstad van een Europese sleutelnatie, aldus Chavannes, dan moet het meer van zich doen spreken.

We willen er niet te bedeesd over doen: het Institut Néerlandais is uniek. Nergens ter wereld doet de Nederlandse overheid zoveel moeite om via de cultuur een band te smeden en een uitwisseling tot stand te brengen. Wie de moeite neemt het programma te bestuderen ziet de betekenis van het instituut voor Nederland en Frankrijk. Jaarlijks zijn er vele exposities, concerten, filmvoorstellingen, lezingen en colloquia, waar duizenden Fransen en Nederlanders op afkomen.

Het instituut heeft daarbij altijd scherp gelet op ontwikkelingen in Nederland. Zo hebben de aanvankelijk losse cursussen Nederlands zich de laatste jaren ontpopt tot een professionele taalafdeling met ruim vierhonderd cursisten per jaar. Vorig jaar is in Parijs een atelier geopend waar een Nederlandse kunstenaar een jaar kan wonen en werken. En onlangs is op het instituut een studio ingericht waar Nederlandse schrijvers en vertalers kunnen verblijven. Ook wordt de culturele samenwerking met Vlaanderen steeds hechter. Zo presenteerde Jan Hoet onlangs in het instituut een tentoonstelling met werken van Vlaamse en Nederlandse kunstenaars uit de collectie van het Museum voor Hedendaagse Kunst van Gent.

De laatste tijd wordt bij die activiteiten meer gekeken naar de wijze waarop ze aansluiten bij het maatschappelijk-culturele imago van ons land. Uitgangspunt hierbij is dat dit meer moet behelzen dan drugs en euthanasie, zaken waar de Fransman in de straat volgens Chavannes over mijmert als hij aan Nederland denkt. De tentoonstelling 'De Nederlanders en Descartes' over het verblijf van de grote Franse filosoof in Nederland maakte bijvoorbeeld aanschouwelijk dat tolerantie al lang een onderscheidend kenmerk is van onze samenleving.

Het idee dat Nederland slechts mag bogen op één Gouden Eeuw, voorafgegaan en gevolgd door een barre woestijn, is een vooroordeel dat niet door de Fransen wordt gedeeld. Nederlandse muziekensembles en solisten spelen al jaren een toonaangevende rol in Parijs. Franse muziek-organisaties, zoals het Centre d' Art polyphonique en het Festival lle de France, erkennen ruiterlijk de voortrekkersrol in deze van het Institut Néerlandais.

De laatste jaren valt ook op dat Nederlandse documentaires, fotografie en literatuur in toenemende mate hun weg vinden naar Frans publiek. De programmering van het instituut vervult in dat proces een belangrijke functie. De tentoonstelling van fotowerk van Ed van der Elsken, vorig jaar, en die van Johan van der Keuken, komend jaar, sluiten aan bij een verlangen van veel Fransen naar het opengooien van te lang gesloten deuren, naar het luchten van de culturele ruimte, via humor, via het burleske, via nuchterheid. De zo Hollandse films van Alex van Warmerdam en documantaires van onder anderen Jos de Putter, alle vertoond in het instituut stuiten op grote verbazing en waardering. Dat intimiteit iets luchtigs kan hebben, zware onderwerpen speels kunnen worden opgetild, wordt als voorbeeldig gezien en - ja, werkelijk - als typisch Hollands erkend. Die Hollandse films en foto's hebben voor veel Fransen een rol in een tegencultuur, zinnelijk en toch van zindelijk denken getuigend.

Om de dialoog in alle openheid te kunnen voeren moeten we verder gaan dan het uitdragen van de 'nationale cultuur' en het verdedigen van een 'culturele identiteit'. De afgelopen jaren heeft het instituut kunstenaars, wetenschappers, schrijvers, journalisten uit allerlei landen ontvangen om met elkaar te spreken over kwesties die belangrijk zijn voor zowel de Franse als de Nederlandse samenleving. Deze platformfunctie wordt nu verder ontwikkeld zodat actuele maatschappelijke en culturele onderwerpen sneller en actiever aan de orde kunnen worden gesteld.

Onderwerpen als de 'alomvattende aanwezigheid van drugs in de Nederlandse samenleving' en andere mythes waarover Chavannes schreef, zullen ongetwijfeld ook aan de orde komen, maar het lijkt ons niet zo zinvol om steeds opnieuw het verschil tussen de culturen te benadrukken. Dat leidt al gauw tot vermanend wijsvingerwerk en nieuwe mythes.

Boeiender lijkt het de inventaris op te maken van een eeuwenlang kolonialisme. Op dit moment ondergaan de Franse en de Nederlandse cultuur de invloed van de tweede en derde generatie allochtonen die al lang geen allochtoon meer zijn. Wat is hun rol in beide samenlevingen? En hoe reageert de 'oorspronkelijke' bevolking? Welke bijdrage leveren die nieuwe Nederlanders en Fransen aan de ontwikkeling van taal en kunsten?

Het Institut Néerlandais is op veel terreinen tegelijk actief. Het is duidelijk dat de accenten in 1997 anders moeten liggen dan in 1957. Er is veel te doen. Veel kunstenaars, denkers, opvattingen en ideeën kunnen hier een podium vinden, zolang het geen eenzijdige monologen betreft.