Het rommelt onder Marokko's studenten

In de Marokkaanse grensstad Oujda is de grens met Algerije op slot. Doodsbang zijn de autoriteiten dat het moslim-fundamentalisme overslaat naar Marokko. De handel wacht gespannen af of de verkiezingen in Algerije een verbetering zullen inluiden.

OUJDA, 3 JUNI. Een vrouw krijst. Haar grote witte zak met uien is gescheurd en de inhoud rolt over straat. Vijf schoenpoetsers kijken verstoord op. De man achter een stapel watermeloenen haalt zijn schouders op over zoveel misbaar. Het is een doordeweekse dag, half zes, in de Marokkaanse stad Oujda, twaalf kilometer van de Algerijnse grens. De universiteit stroomt leeg.

De drukte is schijn. Oujda is economisch verwaarloosd. De informele handel is vaak eenmalig: een overgeschoten partij meloenen, drie kippen voor de slacht. De kleine handelaren houden hun geld in hun zak, zegt Abdelilah Benmlih, docent Marokkaanse geschiedenis aan de universiteit van Oujda. “Iedereen wacht hier op 5 juni, de dag van de Algerijnse verkiezingen. Misschien gaan in de periode daarna de grenzen open en kunnen de inwoners van Oujda weer geld verdienen aan de Algerijnen.”

Dat lijkt onwaarschijnlijk. De Marokkaanse autoriteiten zijn doodsbang dat het moslim-extremisme dat al zoveel levens in Algerije heeft geëist, overslaat naar Marokko. De voedingsbodem voor zo'n extreme vorm van fundamentalisme is klein, zeggen ingewijden hier. Maar de overheid neemt het zekere voor het onzekere. Tenslotte rommelt het al op de universiteit van Oujda, evenals op andere universiteiten in het land. In Casablanca raakte de politie begin dit jaar slaags met fundamentalistische studenten die een gebedsbijeenkomst probeerden te organiseren. En in Oujda, vertelt een studente met een hejab op, raken bij de opening van het academisch jaar vaak studenten gewond bij vechtpartijen tussen de 'marxisten' en de 'fundamentalisten'.

Zonder de studenten was Oujda allang ingeslapen. In 1984 kende Oujda zijn spreekwoordelijke 15 minutes of fame. Koning Hassan II van Marokko en kolonel Gaddafi van Libië besloten er nauwer samen te werken. Het verdrag van Oujda was geen lang leven beschoren. De Verenigde Staten, Marokko's stille bondgenoot, waren ertegen, en Marokko koos eieren voor zijn geld.

Het kon de inwoners weinig schelen. Inmiddels waren de relaties tussen Marokko en Algerije verbeterd. Tot dan toe hadden de beide landen geruzied over de Algerijnse steun aan de verzetsbeweging Polisario, die strijdt voor onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara. Maar in 1988 gingen de grenzen tussen Marokko en Algerije weer open. De handel leefde direct op. “Zo was het leven hier twintig jaar geleden, zeiden de mensen tegen mij”, herinnert Benmlih zich. “In 1988 voltrok zich een ware economische renaissance.”

Oujda werd weer het doorgangshuis van voorheen. En hoewel in Algerije het moslim-fundamentalisme steeds meer invloed kreeg, bleven de grenzen open. Tot 1994. Gewapende mannen stormden toen een hotel in Marrakesh binnen en doodden twee Spaanse toeristen. De daaropvolgende dagen hield de politie drie moslim-extremisten aan die de aanslag zouden hebben uitgevoerd. Ook werden honderden mensen opgepakt wegens banden met het moslim-extremisme. De overheid beschuldigde Algerije ervan het land te willen destabiliseren - te beginnen met de toeristenindustrie. De grens ging op slot.

De aanhang van het fundamentalisme moet men in Marokko vooral zoeken op de universiteit. Maar in Oujda (19.000 studenten) is hij klein, zegt Benmlih. “We hebben een groep die fundamentalistisch is en een groep die sterk anti-fundamentalistisch is, daartussen zit een groot aantal studenten dat nog geen kant heeft gekozen. Maar ik vrees dat zij voor extremisme kiezen als de crisis in ons land aanhoudt.”

Met de crisis doelt Benmlih vooral op de hoge werkloosheid onder afgestudeerden. In Rabat voert een twintigtal van hen actie. Achttien dagen zitten ze nu voor het ministerie van Onderwijs, onder een spandoek, dat ze iedere avond keurig oprollen en mee naar huis nemen. De demonstranten eisen een baan binnen de overheid, die hun vorig jaar februari is beloofd. “Ik kreeg een baan bij het ministerie van Onderwijs aangeboden”, zegt een van hen, afgestudeerd scheikundige. “Maar toen ik bij het ministerie aanklopte, wist men nergens van.” In de volksmond worden hij en zijn lotgenoten spottend de 'gediplomeerde werklozen' genoemd.

Nazram (24) dreigt een van hen te worden. Na enkele afgebroken studies heeft hij voor de talenstudie Duits aan de universiteit van Oujda gekozen. “Ik wil naar mijn broer in Duitsland om werk te zoeken.” Met verve verdedigt Nazram de terugkeer naar de 'ware islam'. “Kijk”, zegt hij en wijst naar een meisje gekleed in een zwarte legging en een witte blouse met open hals. “Dat vind ik niet goed. Vrouwen moeten zich bedekken. Dat staat in de Koran.”

Met evenveel bezieling keert hij zich echter tegen de gebeurtenissen in Algerije. “Ik veroordeel het Algerijnse regeringsleger en extremistische groeperingen als het FIS en de GIA. Het doden van mensen is in de Koran verboden. Het is een moslim onwaardig”, zegt hij.

Dat is de opvatting van veel moslims hier, zeggen deskundigen. Het fundamentalisme in Marokko is volgens hen gematigd van toon. De relatief open politiek en de onaantastbare positie van de koning hebben daartoe bijgedragen. Zelfs de leider van de sinds 1990 verboden fundamentalistische beweging Al-Adl Bal-Issane (gerechtigheid en verzoening) erkent koning Hassan II als wereldlijk en geestelijk leider. Daarnaast is Marokko, mede door zijn politiek en zijn emigratie, sterk op Europa gericht.

De koning en zijn geheime dienst lijken het fundamentalisme, mede dankzij een stevige repressie, redelijk onder controle te hebben. Maar in politieke en universitaire kringen wacht men af wat er gebeurt als de koning (68 jaar en met naar verluidt gezondheidsklachten) overlijdt. Over de bestuurlijke kwaliteiten van zijn oudste zoon en troonopvolger bestaat twijfel.

In Oujda krijgen de studenten vanmiddag de resultaten van hun eerste examens in een lange periode. In alle grote steden kon men de studenten de afgelopen weken 's avonds zien, al lerend in het schijnsel van lantaarnpalen. Maar zeker in Oujda zullen ze straks geen werk vinden. En helemaal niet als de grens met Algerije dicht blijft.

De oplossing is, meent Benmlih, dat er minder mensen naar de universiteit gaan. “Iedereen stuurt zijn kind naar de universiteit. Veel ouders kunnen het amper betalen, liggen er krom voor. Maar hun kinderen worden opgeleid voor werkloosheid.” Hij neemt zijn eigen vak als voorbeeld. “Ik ben historicus en heb een baan als leraar. Maar dit land heeft geen behoefte aan 5.000 historici. Het land heeft slagers, bakkers, technici nodig. Het aantal studenten moet drastisch verminderen en dat is niet alleen de verantwoordelijkheid van de staat, maar ook van de ouders.”