Het moeizame terugdringen van bestrijdingsmiddelengebruik; De boer is het eggen verleerd

Volgens een afspraak uit 1993 moet het landbouwbedrijfsleven het bestrijdingsmiddelengebruik in 2000 drastisch hebben teruggedrongen. Morgen beoordeelt de Tweede Kamer tussentijds de voortgang. Het bedrijfsleven is tevreden, de milieubeweging helemaal niet, en de minister van Landbouw evenmin. Er zijn echter hier en daar hoopgevende initiatieven - merendeels afgedwongen door de kritische consument.

Er is nog geen sprake van een trendbreuk in het bestrijdingsmiddelengebruik in de landbouw, schreef minister van Aartsen aan de Tweede Kamer. Maar “het is ook niet waar dat er niks aan het gebeuren is”, zegt Jo Ottenheim van de land- en tuinbouworganisatie LTO op de stelling van de minister. “In de sector gebeurt juist ontzettend veel.”

Ottenheim noemt enkele projecten waarbij telers worden begeleid bij verminderd gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bij die projecten zijn weliswaar nog maar weinig telers betrokken, maar deze voorlopers moeten een uitstralingseffect hebben naar de rest. Dat zal niet vanzelf gaan, verwacht de LTO-medewerker: “Of je het doel nu geïntegreerde landbouw, duurzame landbouw, preventie van ziekten en plagen of verminderde afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen noemt, het gaat om hetzelfde, lastig te implementeren totaalpakket aan maatregelen.”

“De landbouwsector zou het bestrijdingsmiddelengebruik zelf aanpakken”, reageert Hans Muilerman van Natuur en Milieu. “Maar de hiervoor verantwoordelijke commissie heeft er nog niks van gebakken. Wat is bereikt, is vooral te danken aan initiatieven van buiten de sector. Zelfregulering betekent streng zijn voor je achterban en ze voor een doel kunnen motiveren. Maar voor de meeste telers is de afspraak over het bestrijdingsmiddelengebruik nog steeds iets heel abstracts, iets dat in Den Haag is bekonkeld.”

Al jaren wil de overheid het bestrijdingsmiddelengebruik in de landbouw terugdringen. Het overvloedig aanwezige gif verarmt het slootleven, doet wilde planten uitsterven, doodt de natuurlijke vijanden van belagers, en kan als residu achterblijven op groenten en fruit of door mensen worden ingeademd. Begin jaren zeventig begon de Commissie Onderzoek Biologische Landbouwmethoden met het in kaart brengen van alternatieven. Na wat experimenteren op een proefbedrijf in Nagele, tussen 1979 en 1982, bleek het technisch geen probleem om met teeltmaatregelen als wieden, vruchtwisseling en resistente rassen het bestrijdingsmiddelengebruik met zeventig procent te reduceren, zonder economische verliezen.

In 1983 beloofde het ministerie van landbouw terugdringing van het gebruik. Uiteindelijk kon de Kamer in 1991 besluiten tot vier doelstellingen voor het jaar 2000: telers moeten dan structureel minder afhankelijk zijn van het landbouwgif, het gebruik moet met de helft, de uitstoot naar bodem, oppervlaktewater en lucht met 75 tot 90 procent zijn teruggebracht, en de schadelijkste middelen moeten uit de handel zijn gehaald.

Onderhandelingen met het landbouwbedrijfsleven in 1993, leidde er echter toe dat de overheid maatregelen uitstelde of verzachtte onder voorwaarde dat het bedrijfsleven er zelf voor zou zorgen dat de doelen werden bereikt. Een van de plannen die sneuvelden was een ecotax op bestrijdingsmiddelen. Met duurdere middelen, zo hoopte de overheid, zouden telers eerder overstappen op alternatieven en van het geld kon men onderzoek naar biologische bestrijdingsmethoden stimuleren. Maar de sector wilde de telers niet belasten met heffingen die ze wegens de concurrentie uit het buitenland niet kunnen doorberekenen in het produkt.

Het plan om de schadelijkste middelen te saneren werd uitgesteld. Vierenzestig middelen zouden voor 1 januari 1995 uit de handel worden gehaald wegens overmatige grondwaterverontreiniging, 38 middelen wegens hun giftigheid voor waterdieren en 18 wegens hun persistentie. Alleen als telers geen goed alternatief hadden, kon de toelating onder strenge voorwaarden tot uiterlijk 2000 worden gehandhaafd. De strengere milieucriteria waren echter tot 1995 nog niet opgenomen in de wet, waardoor er weinig gebeurde. Het bedrijfsleven wist bovendien te bedingen dat de sector - als overgangssituatie - zelf het gebruik van de schadelijke middelen zou reguleren. Fabrikanten zouden voor bepaalde teelten het schadelijke middel zelf uit de handel nemen of ze zouden zelf de toepassing verbinden aan voorwaarden. Momenteel buigt de Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) zich over 51 voorstellen tot gereguleerd gebruik.

Wat de overheid wel aan banden heeft gelegd zijn grondontsmettingsmiddelen: telers mogen die nog maar eens in de vier jaar inzetten. Daarnaast is het insekticide dichloorvos per 1 januari dit jaar op recept gezet.

De ervaring met dichloorvos is interessant, gezien het feit dat de minister meer bestrijdingsmiddelen op recept wil zetten. Dichloorvos mag in de glastuinbouw alleen worden gebruikt door telers die natuurlijke vijanden van plagen inzetten. In het begin van de teelt mogen ze met dichloorvos hun kassen zuiveren van trips of witte vlieg, als er zoveel beestjes zitten dat de sluipwespen of roofmijten ze misschien niet aankunnen. Dichloorvos is erg giftig, maar het wordt sneller afgebroken dan andere pesticiden en bovendien verdwijnt het gas door de kieren. Met dichloorvos kan de teler daarom snel na behandeling roofmijten en sluipwespen inzetten.

Muilerman van Natuur en Milieu kan zich nog kwaad maken over de toelating van dichloorvos. “De Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen had het middel tot drie keer toe verboden, steeds verzette de sector zich. Dit receptsysteem is nu het compromis. Maar dichloorvos is helemaal niet nodig als een teler zijn biologisch systeem goed kent.”

Arne van Aalst, technisch adviseur bij sluipwespen- en roofmijtenleverancier Koppert, bevestigt dat ervaren gebruikers van natuurlijke vijanden dichloorvos niet nodig hebben. Wel vindt hij het een zegen dat telers het kùnnen gebruiken wanneer het systeem ontregeld raakt: met zo'n 'verzekering' stappen telers eerder over op natuurlijke vijanden. Volgens Van Aalst gebruikt momenteel zo'n veertig procent van de paprika- en komkommertelers dichloorvos. Dit percentage neemt volgens hem af nu telers meer ervaring krijgen met natuurlijke vijanden.

Voor 2000 moeten de meest schadelijke, en na 2000 alle bestrijdingsmiddelen herbeoordeeld worden. Dit moet volgens nieuwe, strenge Europese richtlijnen volgens welke veertig procent van de middelen ter discussie staat. Over de ophanden zijnde verschraling van het pakket maakt de sector zich grote zorgen, vertelt Ottenheim. Zolang de telers nog zo afhankelijk zijn van bestrijdingsmiddelen, zal met een te klein pakket het illegaal gebruik toenemen. “Het saneren van middelen moet in evenwicht blijven met verminderde afhankelijkheid”, zegt de LTO-medewerker. Maar Muilerman vindt het wat vroeg om nu al te roepen dat er voldoende middelen moeten blijven. Er is afgelopen jaren nauwelijks gesaneerd, terwijl er wel 68 middelen bij zijn gekomen. Dat strenge regulering van bestrijdingsmiddelen de inzet van alternatieve technieken versnelt, bewijst het aan banden leggen van grondontsmettingsmiddelen.

De LTO wil, als het de enige mogelijkheid is om een middel in de handel te houden, wel meewerken aan receptsystemen. Maar de uitvoering zal niet makkelijk zijn, verwacht Ottenheim. Stel: de teler vindt ingrijpen met het gif noodzakelijk en de plantendokter niet. Wie betaalt dan bij ernstige schade? Er is nog geen verzekeringssysteem om dit op te vangen. En als de plantendokter moet betalen zal hij niet gauw geneigd zijn een recept te weigeren.

De uitstoot van bestrijdingsmiddelen naar het milieu is sinds 1986 fors verminderd, zo meldde de commissie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het gewasbeschermingsconvenant vorig jaar. Het rapport, geschreven door LNV-onderzoekers, concludeert dat de uitstoot naar het oppervlaktewater met 72 procent is afgenomen, naar de bodem en het grondwater met 68 procent en naar de lucht met 43 procent. Daarmee zijn de kwantitatieve doelen van het gewasbeschermingsbeleid een heel eind bereikt.

De LNV-onderzoekers keken bij hun berekeningen echter alleen naar factoren als de verkochte hoeveelheid van een bepaald middel, de uitspoelingsgevoeligheid, het bodemtype en de mate waarin de sector eenvoudig te realiseren gebruikersgewoontes zoals afgeschermd spuiten en windsingels al heeft doorgevoerd. De verschillen in schadelijkheid tussen de middelen namen ze niet mee.

Het Centrum voor Landbouw en Milieu, dat een middenpositie tussen milieugroepen en landbouwbedrijfsleven wil innemen, koos in zijn evaluatie-rapport voor een rekenmodel dat wèl de schadelijkheid van de middelen meenam. Hoe schadelijker voor waterdieren, hoe meer 'milieubelastingspunten' het middel kreeg. Het CLM komt zo tot de onthutsende conclusie dat het gemiddeld aantal belastingspunten per hectare nog met 99,4 procent terug moet om het oppervlaktewater te sparen, met 91,9 procent om het bodemleven te sparen en met 94,5 procent om uitspoeling naar grondwater te voorkomen. Deze conclusie strookt beter met de metingen van de waterleidingbedrijven, die bij het verschijnen van het rapport van de LNV-onderzoekers onmiddellijk een persbericht verspreidden dat de waterkwaliteit nog lang niet is verbeterd.

Een pluspunt is dat er nog nooit zoveel projecten waren waarbij telers worden begeleid in verminderd bestrijdingsmiddelengebruik. Het grootste project is Milieubewuste Teelt, in 1992 geïnitieerd door de veilingen omdat de consument kritischer werd op de produktiewijze. Inmiddels doen 5500 groente- en fruittelers mee, verspreid over 70 procent van het glasgroente-areaal, zestig procent van het fruitteeltareaal, twintig procent van het volle-grondsgroentenareaal en veertig procent van het areaal voor champignonteelt. De fruittelers bijvoorbeeld, worden gestimuleerd windsingels te planten, afgeschermd te spuiten, natuurlijke vijanden in te zetten en resistente rassen te gebruiken. Voor elke maatregel krijgt de teler punten. Bij voldoende punten mag hij zijn produkten op de veiling met een vlinderlogo verkopen. Milieubewuste teelt wil de middengroep bereiken en begint met lichte eisen. Albert Heijn, die werkt met 800 contracttelers, wilde in 1991 ook niet te streng beginnen. Het stelt nu eisen aan type spuitmachine, resistentie van de rassen en vruchtwisseling. De AH-telers mogen de bestrijdingsmiddelen die in 1995 verboden hadden moeten worden, niet gebruiken.

Streng is de Stichting Milieukeur, die voor aardappelen, uien, tarwe, paprika, appels en peren de eisen formuleert om een voor de consument herkenbaar logo (een vuistje) te mogen gebruiken. De honderd aangesloten aardappeltelers boekten in 1996 een reductie van maar liefst 90 procent bestrijdingsmiddelen en volgens de Stichting doen de meesten nog steeds mee. In de maïs- en suikerbietenteelt zijn het vooral de waterleidingsbedrijven en voorlichtingsdiensten die telers begeleiden in milieuvriendelijker teelt. Zo brachten vorig jaar 140 maïstelers onder begeleiding van de Dienst Landbouwvoorlichting het herbicide-gebruik met meer dan vijftig procent terug door beter ploegen en zaaien, schoffelen, eggen en afstemming van herbicide en tijdstip van spuiten op het type onkruid.

Het kan dus blijkbaar, telen met minder bestrijdingsmiddelen terwijl de afnemer nauwelijks meer voor het produkt betaalt. Toch boert nog steeds het gros van de 117.000 Nederlandse telers op de 'oude' manier. Proefstationmedewerker Frank Wijnands, die tussen 1990 en 1994 met 38 innovatie-bedrijven werkte, ervaart dat intensieve begeleiding door goede, kritische voorlichters noodzakelijk is voor omschakeling. “Het kostte ons twee jaar om deze 38 akkerbouwers bewust te maken van het milieuprobleem en van de eigen invloed hierop. Daarna heeft de boer wel de kennis, en de motivatie om risico's te nemen, maar moet je hem nog begeleiden tot hij ook ervaring heeft. Overstappen van herbiciden op een eg roept een hoop vragen op. Wat voor eg moet hij kopen? Hoe moet hij hem bedienen? En als het niet meteen werkt, hangt de boer hem al gauw in de wilgen.”

Proef- en innovatiebedrijven halen een reductie van zeventig procent bestrijdingsmiddelen en ook een forse reductie in kunstmestgebruik zonder economisch te verliezen. De Dienst Landbouwvoorlichting is echter niet toegerust om in de gehele sector zo'n grote overschakeling teweeg te brengen. De telers nemen van voorlichters en extensief begeleide projecten zoals Milieubewuste teelt, alleen de eenvoudigst in te voeren maatregelen over. “Maar dat is wel goed om de bewustwording te stimuleren en excessen te voorkomen”, meent Wijnands.

Er zijn meer obstakels. Wijnands ervaart dat in de akkerbouw voldoende reductie is te behalen met resistente aardappelrassen en mechanisch wieden. Maar de verkrijgbare resistente aardappelrassen zijn slecht af te zetten, omdat ze moeilijker tot friet of puree zijn te verwerken dan bijvoorbeeld het (ziektegevoelige) Bintje. De afzet wordt wel iets beter, nu aardappelafnemers meer aandacht krijgen voor resistentieveredeling. Over het terugdringen van herbiciden in de akkerbouw is de onderzoeker pessimistischer. Met de nieuwste spuittechnieken besparen telers al herbiciden. Voor verdere terugdringing met mechanisch wieden bestaat nu minder belangstelling dan een paar jaar terug.

Het Rhatenau instituut, dat de Tweede Kamer adviseert, merkt op dat de huidige privatisering van onderzoek en voorlichting haaks kan staan op duurzame landbouw. Die landbouw vraagt een nieuwe manier van denken, waarbij de nadruk ligt op het voorkómen van ziektes en plagen in plaats van op het bestrijden ervan. Het is voor bedrijven economisch niet zo interessant om onderzoek en voorlichting op dit gebied te financieren.

Belangrijke vraag is nu of de overheid hier moet inspringen en vooral stimulerende maatregelen moet nemen, zoals financiële ondersteuning van goede initiatieven, of dat ze ook regulerend moet optreden met heffingen, sanering van bestrijdingsmiddelen en voorschriften zoals teeltvrije zônes. De minister schrijft de Kamer dat hij deze maatregelen wil nemen als de sector er niet harder aan trekt. Net voor de Kamerbespreking komt LTO nu met de toezegging dat alle boeren het bestrijdingsmiddelengebruik gaan registreren, zodat de bewustwording van het milieuprobleem groter wordt. De Tweede Kamer moet nu beoordelen of ze het proces zo snel genoeg vindt gaan. En daarnaast zijn er nog een paar andere pijnpunten te bespreken, zoals het illegaal gebruik van middelen en de toename van nieuwe ziekten en plagen door de import van gewassen.