Foto's Weinberg tonen werkelijkheid 'Bushmen'

Paul Weinberg fotografeerde dertien jaar lang Bushmen, de oudste bewoners van zuidelijk Afrika. Het resultaat is nu in Rotterdam te zien. 'Hier en daar liepen nog mannen met pijl en boog rond. Maar in de andere hand hadden ze wel een fles coca cola.'

Paul Weinberg, Footprints in the Sand, t/m 23 nov., Museum voor Volkenkunde, Rotterdam, di t/m vrij 10-17u., za en zo 11-17u; Fazal Sheikh, Gilles Peress, Petterik Wiggers, t/m 6 juli in Nederlands Foto Instituut, Rotterdam, di t/m zo 11-17.

ROTTERDAM, 3 JUNI. Hoe wrang het ook klinkt, in de hoogtijdagen van de apartheid werden hij en zijn Zuidafrikaanse collega-fotografen verwend, zegt Paul Weinberg. Kranten en tijdschriften over de hele wereld wilden hun foto's: “Wij waren nu eenmaal ter plekke en we hadden de juiste contacten.” Tot Nelson Mandela werd vrijgelaten en het tij begon te keren. “Toen kon ineens het A-team weer gestuurd worden. Van het ene moment op het andere waren wij niet goed genoeg meer.”

Sindsdien is het 'skoffelen' geworden voor de Zuidafrikaanse geëngageerde documentair fotograaf, zegt de in Durban woonachtige Paul Weinberg (40). Al wil hij ook weer niet te somber doen. Per slot van rekening heeft hij na dertien jaar fotograferen in Namibië, Botswana en Zuid-Afrika zijn project kunnen afronden over de Bushmen, “de indianen van Afrika, die er al woonden voor de zwarte Bantoes en de blanke Europeanen.”

Footprints in the Sand heet zijn tachtig zwart-wit foto's omvattende tentoonstelling die te zien is in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam. Het is een van de vier fototentoonstellingen over het Afrikaanse continent die momenteel in die stad hangen. De overige drie zijn te vinden in het Nederlands Foto Instituut: de bikkelharde foto's die de Amerikaan Gilles Peress maakte van het drama in Rwanda, een overzicht van het werk van de Nederlandse fotojournalist Petterik Wiggers die reisde naar landen als Somalië, Soedan en Ethiopië (ook hier het puin van de ene oorlog gestapeld op dat van de andere - al werd het door Wiggers hoopvoller gefotografeerd dan door Peress) en de portretten die de Amerikaans/Keniaanse fotograaf Fazal Sheikh maakte van bewoners van vluchtelingenkampen langs de Keniaanse grens - zo oogstrelend mooi dat je bijna vergeet hoe erbarmelijk het bestaan is dat zich erachter aftekent.

In vergelijking met werk van deze drie zijn Weinbergs foto's bescheiden: ze bezitten de moker-achtige impact van Peress, de helderheid van Wiggers noch de esthetiek van Sheik. Het zijn op het eerste gezicht vooral alledaagse taferelen die hij laat zien: mensen werkend op het land, spelende kinderen, gerommel tussen rieten hutten. Weinberg: “Ik heb de afgelopen jaren geleerd dat esthetiek of het zogenaamde beslissende fotografische moment maar al te vaak ten koste gaat van de nuances. De werkelijkheid is niet mooi of schokkend, de werkelijkheid is vooral verwarrend.”

Weinberg groeide op als goede Zuidafrikaner: een keurige blanke school, netjes op zijn zeventiende het leger in. Daar werden hem de ogen geopend voor de ware aard van het apartheidsbewind. Na zijn diensttijd ging hij rechten studeren om na twee jaar over te stappen op de fotografie, omdat hij er veel praktischer en aansprekender zijn nieuwe inzichten mee kon vormgeven. Hij gaf les aan zwarte studenten op een met buitenlands ontwikkelingsgeld opgerichte community art school, was mede-oprichter van enkele raciaal gemengde fotocollectieven en fotoagentschappen en werkte als fotoredacteur voor het kritische tijdschrift New Ground.

Zijn eerste Bushmen fotografeerde hij in 1984 in Namibië, nieuwsgierig geworden door de verhalen over de leden van die oude bevolkingsgroep, die nog altijd als jagers en verzamelaars in harmonie met de natuur zouden leven. Het was een ontluisterende ervaring. “Zeker, hier en daar liepen nog mannen rond met pijl en boog. Maar in de andere hand hielden ze wel een fles coca cola. Ze droegen geen lendendoeken maar lompen of oude legeruniformen, en 's ochtends stonden ze al vroeg in lange rijen voor de drankwinkel.”

Gaandeweg ontdekte hij dat rond de naar schatting 90.000 overgebleven Bushmen zorgvuldig een mythe in stand gehouden wordt. Werken in de landbouw, de mijnbouw of het leger heeft de laatste decennia de jacht als bron van levensonderhoud vervangen. Traditionele muziekinstrumenten worden weliswaar nog gebruikt, maar maken evenveel rumoer als gitaren en ghettoblasters.

Weinberg: “Hier en daar bestaan de oude tradities nog. Maar ze maken al lang deel uit van een ingrijpend veranderd leven.” Dat de mythe nog altijd standhoudt, is vooral een kwestie van belangen, meent hij. “Het oude bewind kon er mee laten zien dat het allemaal zo erg niet was, de nieuwe machthebbers hanteren het als een cultureel ijkpunt, de antropologen hebben eindelijk weer hun nobele wilden. En de Bushmen zelf houden aan de toeristische belangstelling een grijpstuiver over.”

Buitenlandse kranten en agentschappen hebben tot nu toe nauwelijks belangstelling voor zijn serie getoond, zegt Weinberg. In zijn vaderland werden de foto's ondanks hun kritische lading evenwel met bijval ontvangen. “Zuid-Afrika is doodmoe van de stereotiepen. Het wil nu eindelijk wel eens de werkelijkheid onder ogen zien.” Maar in zijn bestaan als fotograaf bracht die belangstelling vooralsnog weinig verandering. “De laatste jaren moet ik het vooral hebben van lesgeven of het illustreren van jaarverslagen. En als het echt niet anders kan maak ik familieportretjes voor op de schoorsteenmantel.”