De schaduwzijde van happy island Aruba

Onderwereld en bovenwereld zijn nauw met elkaar verweven op Aruba. Dat blijkt uit een geheim rapport over de veiligheid en integriteit van het 'happy island'.

DEN HAAG, 3 JUNI. Belangenverstrengeling, corruptiegevoeligheid, witwassen, drugshandel. Ondanks herhaalde relativerende en ontkennende verklaringen van regeringsfunctionarissen is Aruba de afgelopen jaren in vertrouwelijke en openbare rapporten in verband gebracht met de schaduwzijde van de bloeiende economie die het 'happy island' sinds de jaren tachtig heeft weten op te bouwen.

De kritiek in internationale inlichtingenrapporten op de Arubaanse zakenwereld, en op de nauwe verwevenheid van de zakenwereld met de politiek, stoelt op een aantal bijzondere omstandigheden. Ten eerste is er de ligging in het Caraïbisch gebied, vlak voor de kust van Latijns-Amerika. Venezolaanse en Colombiaanse drugshandelaren konden volgens de geheime diensten zonder al te veel problemen illegale winsten witwassen op Aruba dankzij de liberale financiële regelgeving en de aanwezigheid van casino's. Twee jaar geleden concludeerde A. Koerten, directeur staatsveiligheid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en destijds interim-hoofd van de Veiligheidsdienst Aruba (VDA), dat “Arubaanse zakenlieden” op grote schaal manipuleren en frauderen met al of niet gefingeerde goederentransacties, laadbrieven, bankrekeningen en frontmaatschappijen. Dat staat in een 'staatsgeheim' rapport over de veiligheid en de integriteit van Aruba, dat Koerten samenstelde op basis van rapporten van internationale inlichtingendiensten.

“Ondernemingen in de vrijhandelszone en offshore financiële sector dienen het meest tot camouflage”, schreef Koerten. Kenmerkend, zo vervolgde hij, zijn de vele buitenlandse zakenrelaties van de Arubaanse ondernemers. “Die vormen tezamen een veelzeggend tableau van internationaal beruchte, vooral Colombiaanse drugsbaronnen en witwassers.” De groep Arubaanse ondernemers, die met name wordt genoemd, heeft een “substantieel aandeel in internationale georganiseerde misdaadactiviteiten op het gebied van de handel in narcotica en nadrukkelijk bij het legaliseren van de opbrengsten van die handel.”

Dergelijke beschuldigingen leidden in het begin van de jaren '90 tot een serieuze crisis in het plaatselijke opsporingsapparaat, de inlichtingendienst en de politieke en bestuurlijke verhoudingen tussen Nederland en Aruba. Minister Voorhoeve (Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken) liet voormalig minister van Justitie J. de Ruiter vorig jaar onderzoek doen naar de crisis in de strafrechtelijke rechtshandhaving op Aruba, waarin premier Eman, de Nederlandse procureur-generaal op Aruba, J. Zwinkels, en toenmalig minister van Justitie, W. Vos, de hoofdrollen speelden. Op de voorgrond speelde de mogelijke uitlevering van twee leden van de zakenfamilie Mansur aan de Verenigde Staten.

De Ruiter haalde een diep geworteld gebrek aan vertrouwen tussen Justitie, de politie en het openbaar ministerie over de aanpak van de georganiseerde misdaad boven water. Hij beval minister Voorhoeve en premier Eman aan schoon schip te maken in de justitie- en politietop. Feiten zoals die eerder werden gepresenteerd in het rapport-Koerten ontbraken echter.

Intussen stelde de Arubaanse regering zelf dat er de laatste jaren veel ten goede is veranderd op het eiland. In antwoord op aantijgingen van de International Narcotics Control Strategy Report (INCSR), sprak de Arubaanse regering uit dat de voornaamste wetgeving ter bestrijding van criminele activiteiten als witwassen inmiddels in werking was getreden. Zo zijn er inmiddels wetten tegen het witwassen en voor melding van ongebruikelijke financiële transacties bij banken en casino's. Enkele weken geleden sprak het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zijn waardering uit voor de serieuze pogingen die de laatste jaren zijn gedaan om de drugshandel en witwaspraktijken aan te pakken.

De Ruiter trok dezelfde conclusies. Hij constateerde dat de wetgeving tegen criminele praktijken als witwassen aanzienlijk was uitgebreid en concludeerde dat de problemen bij de rechtshandhaving niet meer kunnen worden gezocht in gebrekkige wetgeving. Kritiek had de Ruiter ook. Vooral het gebrek aan transparantie van het openbaar bestuur op Aruba hekelde hij. De Ruiter sprak van een “gebrekkige politieke controle op de regering”, een “gebrek aan openbaarheid”.

Mogelijk wist hij van de aantijgingen van Koerten aan het adres van premier Eman, minister Glenbert Croes (Verkeer) en oud-minister van Justitie Hendrik Croes. Glenbert Croes wist volgens Koerten zijn zuster in dienst van de overheid te krijgen, hoewel zij in Nederland had vastgezeten wegens cocaïnesmokkel. Croes liet zich verder adviseren door een Venezolaanse econoom, van wie twee compangnons uit diens op Aruba gevestigde bedrijf in Venezuela werden aangehouden op verdenking van witwasactiviteiten.

Oud-minister van Justitie Hendrik Croes gaf volgens Koerten ten tijde van zijn ministerschap opdracht een verdachte vrij te laten die op verdenking van betrokkenheid bij drugshandel in voorarrest zat. Toen de verantwoordelijke officier van justitie daartegen bezwaar aantekende, gaf de minister de procureur-generaal het bevel de vrijlating uit te voeren, aldus Koerten. “Bovendien dreigde hij met maatregelen tegen de betrokken officier van justitie.” De invrijheidstelling vond uiteindelijk plaats op grond van nieuwe regels voor de duur van het voorarrest, aldus Koerten. Anderen, in vergelijkbare omstandigheden, werden volgens hem niet op vrije voeten gesteld. De betrokkene was kort voordat Hendrik Croes minister van Justitie werd nog cliënt geweest bij diens advocatenkantoor, aldus Koerten. Croes heeft deze aantijgingen ontkend.

De Ruiter repte in zijn eindrapport alleen van “kritische vragen” over door de regering gedane transacties en opdrachten, die “niet of onvoldoende werden beantwoord”. Het ging daarbij onder meer om aanbestedingen bij de uitbreiding van de luchthaven en de haven. De belangrijkste politieke conclusie die De Ruiter trok, en waarnaar de Arubaanse regering sindsdien stelselmatig verwijst, was dat hem “geen enkel feit bekend was geworden” dat samenwerking tussen Nederland en de Arubaanse regering in de weg zou staan bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Onduidelijk is of De Ruiter kennis had genomen van het rapport-Koerten. Maar of zijn conclusie dan anders zou zijn uitgevallen valt te betwijfelen. Koerten beschikte niet over 'harde bewijzen' van corruptie door politici of bestuurders. Ondanks alle aantijgingen stelt hij dat “geen bewijzen konden worden gevonden voor het vermoeden dat misdaadkringen inmiddels het integer functioneren van de huidige bewindslieden in oneigenlijke zin beïnvloeden”.

De Tweede Kamer verwacht deze week antwoord van minister Voorhoeve over het integriteitsvraagstuk dat aan de orde wordt gesteld in het rapport. Kamerleden veronderstellen dat De Ruiter vorig jaar vooral heeft willen kiezen voor een formulering waarmee Nederland en Aruba in de toekomst verder kunnen. “De Ruiter heeft waarschijnlijk gedacht dat het zinloos is om de cultuurverschillen tussen bestuur en politiek in Nederland en op Aruba zo breed uit te blijven meten”, zegt het Kamerlid Scheltema (D66). “Het gevoel voor wat kan en wat niet kan is daar anders. Maar er zijn wel grenzen aan de cultuurverschillen.”