Zapman

En nu ze allemaal zijn geweest, laat mij dan nog de laatste duit in het zakje doen. In het zakje visies op Louis. Bijna iedereen die dezer dagen aan het woord is gekomen - de stadionspreker, de voorzitter, de aanhang - allemaal hebben ze gezegd: Louis is een geweldige trainer, maar bovenal een fantastisch mens.

Ik zou wel eens wilen weten: hoe word je een fantastisch mens? Toen Louis de scepter zwaaide, moest iedere voetballer die wilde slagen vooreerst als mens fantastisch zijn. En andersom. Wie als voetballer slaagde was automatisch een fantastisch mens. En nu is Louis er zelf ook één geworden. Hoe die twee druppeltjes over de onderrand van zijn oogleden glipten toen hij de ridderorde kreeg opgespeld. Mooi gedoseerd.

Zou er nooit een journalist op het idee zijn gekomen om Louis te vragen wat hij precies onder een fantastisch mens verstond? Dat was een zinnige vraag geweest. Als je hem moest geloven zaten bij Ajax overal fantastische mensen. In het elftal, in de begeleiding, in het bestuur. Goed beschouwd was die club één groot fantastisch mens. Andere mensen had je gewoon niet.

Dan ga ik onwillekeurig toch aan mezelf zitten denken. Ik heb gevoel voor humor, ik ben recht door zee, ik kan vriendelijk zijn, en als er iets gedaan moet worden, heb ik twee handen aan mijn lijf. Mijn enige minpunt is eigenlijk dat ik geen goede voetballer ben. Ik doe elke week mijn best en toch lukt het niet. Misschien omdat ik te veel relativeer. Ik zou er aan toe willen voegen, en nou word ik even serieus: misschien is de oorzaak dat ik te weinig heb van Louis van Gaal. Als ik nou eens probeerde iets meer van me af te bijten. Dat ik wat kloeker voor mijn eigen ideeën uitkwam. Niet zo gauw aan mijn eigen gelijk twijfelen, al is de hele wereld nog zo hartstochtelijk tegen. Zou het met voetballen dan beter gaan?

Ik hoef geen Louis van Gaal te worden. Die dodelijke ernst hoef ik niet, dat gezicht waar nauwelijks een lachje af kan. Die ogen die onophoudelijk van links naar rechts schieten of alles nog precies zo gaat als hij het wil. Maar dat eeuwige relativeren van mij, dat is ook niet goed. Ik relativeer mijzelf nog eens het graf in. Ik kan geen stelling innemen of vóór ik goed en wel ben uitgesproken, heb ik de stoelpoten er al onderuit gezaagd.