Op verjaardagsvisite bij Mulisch

Tijdens een openbaar interview liet Harry Mulisch zaterdag zijn 50-jarige carrière de revue passeren. 'De computer beschouw ik als de directe opvolger van de vulpen.'

AMSTERDAM, 2 JUNI. “Ik ben een beetje een boekhouder”, gaf Harry Mulisch toe aan het slot van een openbaar interview in het Amsterdamse Paradiso. Maar anders dan deze uitspraak doet vermoeden, was het meer dan twee uur durende gesprek allesbehalve saai geweest. Afgewisseld door korte stukjes film, die op een groot doek achter hem geprojecteerd werden, liet Mulisch zijn 50-jarige carrière als schrijver de revue passeren. Natuurlijk was er aandacht voor de usual subjects (Eichmann, Castro, zelfironie, De ontdekking van de hemel); maar Mulisch sprak zich ook uit over het heden. Zo stelde hij voor om Ronald Giphart eens af te sturen op een proces tegen een oorlogsmisdadiger (“het wordt mij altijd gevraagd, maar ik wil niet op herhaling”), en beschuldigde hij Marcel Möring van 'gezwam' omdat die in deze krant had beweerd dat schrijvers nu, een halve eeuw na dato, eindelijk gingen morrelen aan het 'taboe' op de literaire verwerking van de Tweede Wereldoorlog. “Die mythische benadering waar Möring het over heeft, paste ik al toe in Het stenen bruidsbed uit 1959”, zei Mulisch. “Er heeft nooit een taboe gerust op de oorlog; dat is voorbehouden aan de gebeurtenissen op Indonesië.”

Het gesprek in Paradiso, onder de titel De wereld van Harry Mulisch in zes bedrijven, was volgens interviewer Peter van Ingen een 'opmaat' voor de viering van Mulisch' 70ste verjaardag, op 29 juli aanstaande. Ongeveer 250 mensen (Mulisch: “Voor David Bowie staan hier meer dan duizend mensen in de rij. Dat is nu wel anders”) waren afgekomen op een avond die nog het meest deed denken aan het VPRO-programma Zomergasten - zij het dat de filmfragmenten voornamelijk uit het privébezit van de schrijver kwamen: een 25 jaar oud super 8-filmpje waarin Mulisch uit Goethes Faust citeert op het landgoed dat model heeft gestaan voor Groot Rechteren in De ontdekking van de hemel; vooroorlogse beelden van Mulisch' moeder, grootmoeder en overgrootmoeder, gemaakt door zijn vader; een homevideo van de reis die Mulisch maakte naar Rome en Jeruzalem ter voorbereiding op De ontdekking.

Ieder filmpje vormde de inleiding voor een anekdote, een bespiegeling of een herinnering. Wie het nog niet wist, kreeg te horen dat Goethe (“een schrijver van het soort dat telkens een ander boek schrijft”) een voorbeeld voor Mulisch is, maar geen leermeester; dat er in De ontdekking zeer veel verschillende zelfportretten van de schrijver te vinden zijn (“Ik bén het boek”); en dat de aan de vulpen verknochte Mulisch een paar jaar geleden is gaan schrijven met de tekstverwerker: “Aan de schrijfmachine wilde ik nooit, die was onhandig bij doorhalen, knippen en plakken. De computer beschouw ik als de directe opvolger van de vulpen.”

Langzaam kregen de toeschouwers het gevoel bij Harry Mulisch in de huiskamer te zitten - wat nog versterkt werd door het feit dat zijn monologen af en toe onderbroken werden door het zachte gejank van zijn tekkel Izzy en de luide uitroepen van zijn ook aanwezige kleindochtertje. Alleen Peter van Ingen leek zich niet op zijn gemak te voelen bij deze gemoedelijke verjaarsvisite. “Ik kom er niet doorheen”, verzuchtte hij, toen hij Mulisch voor de zoveelste keer vergeefs tot een verwerping van Fidel Castro had geprobeerd te verleiden. Hij moet zich gevoeld hebben als Faust in het citaat waarmee Mulisch de avond had geopend: 'Da steh' ich nun, ich armer Tor!/ Und bin so klug als wie zuvor.'