Nederland loopt uit de pas

De oproep van minister-president Kok voor een snelle fiscale aanpak van optieregelingen is verbazingwekkend, stelt H.O.C.R. Ruding. Meer openheid en langere looptijden zijn te preferen boven dit soort wilde fiscale voorstellen.

De recente opwinding in politiek en fiscaal Nederland over aandelenoptieregelingen en hoge inkomens geeft mij aanleiding tot commentaar, deels gebaseerd op mijn ervaringen met dergelijke regelingen in Amerika en deels omdat ik medeverantwoordelijk ben voor de huidige fiscale aanpak in Nederland.

Het wezenlijke doel van optieregelingen is niet het inkomen van de deelnemende werknemers te verhogen - dat kan ook door hogere salarissen of bonussen - maar om de deelnemers, in het belang van de onderneming en daardoor van de aandeelhouders, een grotere betrokkenheid en motivering te geven. Een stimulans om een beter ondernemingsresultaat ('performance') te bereiken en ten tweede een stimulans om langer bij de onderneming te blijven werken en niet een aanbod van een andere werkgever te accepteren.

Bij de toepassing van optieregelingen moeten dan wel de volgende drie aspecten meer in acht worden genomen. Zij dienen te gelden voor een groot deel van de werknemers en niet alleen voor een klein aantal topfunctionarissen. M. Tabaksblat, voorzitter van Unilever, en J. Peters, voorzitter van de commissie-Peters, bepleiten hetzelfde (NRC Handelsblad, 10 mei). Tevens behoren opties een lange looptijd te krijgen waarin zij kunnen worden uitgeoefend. Tien jaar heeft mijn voorkeur. De nu in de Nederlandse fiscale regeling als maximum geldende vijf jaar is te kort om haar doel te bereiken. Ten slotte dient het recht om verkregen opties uit te oefenen niet direct of al na korte tijd in te gaan maar pas na drie jaar of nog later. Een werknemer kan anders snel winst incasseren en ontslag nemen. Bij een drempel van bijvoorbeeld drie jaar worden opties bij vertrek binnen die periode (terecht) waardeloos.

Bij de vraag of optieregelingen te aantrekkelijk zijn, wordt veelal uit het oog verloren dat succesvolle regelingen, dat wil zeggen met opties die effectief worden uitgeoefend, niet direct ten laste van de winst van de onderneming worden betaald, maar door de aandeelhouders: de winst moet door meer aandeelhouders worden gedeeld waarbij de nieuwe aandeelhouders - de ex-optiehouders - hun aandelen tegen een lagere prijs verkrijgen dan de op dat moment geldende beurskoers. Als iemand zich wil opwinden over de voordelen van optiegerechtigden dan zijn dat allereerst de eigenaars van de onderneming. Ik vind het redelijk dat de aandeelhouders het recht krijgen de hoofdlijnen van optieregelingen vooraf goed of af te keuren. Tevens moet ook in Nederland de eis worden gesteld (zoals de Vereniging Effectenbezitters VEB terecht doet) dat details van optieregelingen in het jaarverslag worden gepubliceerd. Dit gebeurt al in Amerika en Engeland. In Nederland is Unilever een witte raaf.

De samenleving mag zich terecht afvragen of de fiscale behandeling van opties redelijk is. De huidige aanpak is uitzonderlijk: inkomstenbelasting over 7,5 procent van de waarde(koers) van het aandeel bij verkrijging van optierecht en geen belasting over eventuele latere koerswinst bij uitoefening. Ik was als minister van Financiën in 1987 nauw betrokken bij de vaststelling van de huidige regeling. Zij werd toen gezien in het kader van de belasting van winstdelings- en spaarloonregelingen voor het personeel in het algemeen. Er is toen niet veel maatschappelijke discussie over geweest: de interesse in opties was in Nederland beperkt.

Bij nader inzien stel ik vast dat die huidige 7,5 procentregeling niet erg logisch is, de bovengenoemde algemene doeleinden van opties niet bevordert en bovendien tot een erg lage belastingdruk leidt. Wat in de discussie in Nederland niet voldoende aandacht krijgt, is dat in Amerika - optieland bij uitstek - de koerswinst bij het uitoefenen van opties volledig 'normaal' als inkomen wordt belast, dat wil zeggen volgens het progressieve tarief van de inkomstenbelasting. In New York bijvoorbeeld leidt dit voor hogere inkomens tot een belasting van boven de 40 procent. Ik bepleit dat niet voor Nederland. Een andere mogelijkheid is de 7,5 procent bijtelling in de huidge regeling te verhogen; een ideale constructie is dat echter niet. Men kan ook overwegen de werkelijke gemaakte, latere koerswinst te belasten als een bijzonder bestanddeel van het inkomen tegen een speciaal tarief van bijvoorbeeld 25 procent.

Maar wat Nederland niet moet doen is - naar aanleiding van dit incident over opties - een nieuwe algemene vermogenswinstbelasting invoeren, zoals minister-president Kok onlangs voorstelde. M. Romijn noemt dit terecht: “het bestrijden van een mug met een olifant” (NRC Handelsblad, 24 april). Ik heb begrip voor Koks pleidooi voor een redelijke inkomensverdeling en voor een evenwichtige belastingheffing van topinkomens in het bedrijfsleven. Maar hij moet dan wel op internationale vergelijkingen letten. Wij leven in een open economie met veel concurrentie, ook voor managers.

Ik wijs er op dat er geen land is dat zowel een vermogenswinstbelasting (capital gains tax) als een vermogensbelasting kent en dat er bij suggesties voor zo'n nieuwe belasting ook rekening moet worden gehouden met de hoogte van de inkomstenbelasting. In mijn tijd als minister van Financiën is het toptarief verlaagd van 72 procent naar 60 procent. Ik heb toen al betoogd dat dit slechts een eerste stap was. In de meeste andere landen is dat hoogste tarief aanzienlijk lager of zijn er plannen tot verlaging. Nederland moet spoedig een toptarief van maximaal 50 procent, bij voorkeur lager, invoeren.

Mijn conclusie is dat Nederland ook inzake optieregelingen meer naar het buitenland moet kijken. De opwinding die aandelenopties bij minister-president Kok opwekten (“exhibitionistische verrijking”) en zijn oproep tot snelle fiscale aanpak daarvan, wekken verbazing. De regeling in Nederland bestaat al tien jaar en hij heeft als minister van Financiën ruim de tijd gehad de belastingheffing van opties desgewenst te veranderen. Ruimere spreiding van optieregelingen over grote groepen werknemers, meer openheid, evenwichtige belastingheffing, langere looptijden en goedkeuring door aandeelhouders zijn te prefereren boven partijpolitiek gemotiveerde, oratorische emoties en wilde fiscale voorstellen.