Komrij hoeft niet te weten wat proton is

Hollands Maandblad nr. 5, 1997. Uitg. Veen, 42 blz. Prijs ƒ 9,90.

Vlak voor het verschijnen van Figuranten, de tweede roman van Arnon Grunberg, publiceerde Piet Grijs in Vrij Nederland een column waarin hij uitgebreid de loftrompet over Grunberg stak. Zo enthousiast was Grijs zelfs, dat hij twee, nogal boude, stellingen poneerde. Allereerst beweerde hij dat Figuranten louter positieve recensies zou krijgen; bovendien stelde hij dat de stijl van Grunberg zo uniek is dat hij 'aan één zin kan zien of hij van Grunberg of van een ander is'.

In het nieuwe Hollands Maandblad gaat Joost Zwagerman, in de rubriek 'Toets der kritiek' in op de beweringen van Grijs. Hij bespreekt de recensies van Figuranten, en constateert, zoals iedereen nu wel weet, dat Grijs' eerste stelling niet uitkwam, omdat Hans Goedkoop in deze krant niet louter lovend over Figuranten was. Leuker is dan ook dat Zwagerman de handschoen oppakt waar het de tweede stelling betreft en er meteen twee zinnen bij geeft: 'We gingen zitten.' en 'En hij liep veel.' Een is er volgens Zwagerman van Grunberg, de ander van W.F. Hermans - wie het weet mag het zeggen.

Sinds twee nummers voert Hollands Maandblad pontificaal een vignet op haar voorkant met de tekst 'vrij en ongesubsidieerd'. In het nummer van vorige maand werd uitgelegd waarom: volgens een commissie van het Literair Produktiefonds, dat de subsidies op de literaire tijdschriften beoordeelt, was het blad 'te journalistiek' en 'niet spraakmakend genoeg' - reden voor de commissie om de steun in de koelkast te zetten. Na enig beraad besloot de redactie vervolgens de eer aan zichzelf te houden en verder af te zien van subsidie - voortaan wil Hollands Maandblad het op eigen kracht zien te redden.

Wie het laatste nummer van het blad leest, begrijpt wel wat de commissie bedoeld moet hebben, maar ziet tegelijk dat dat oordeel niet erg zinnig is. Het blad brengt literatuur en poëzie, maar mengt zich ook in actuele discussies, geeft commentaar en polemiseert, meestal op een essayistische manier. Daarmee onderscheidt Hollands Maandblad zich nadrukkelijk van de andere literaire tijdschriften, maar een bezwaar is dat nauwelijks te noemen: bij het Maandblad krijg je een gevoel van reflectie en afstand, zonder dat het contact met de actualiteit verloren gaat - zie bijvoorbeeld de bespreking van Zwagerman.

Een ander voorbeeld van het beleid van het Maandblad is een artikel van de theoretisch natuurkundige F.A. Muller, die zich fel keert tegen het plan van het ministerie van Onderwijs om bèta-vakken meer aandacht te geven op de middelbare scholen. Muller struikelt in zijn verontwaardiging soms over zijn woorden, maar hij is wel lekker en overtuigend boos over deze poging om bèta-kennis te verspreiden - dat is toch niet aan alfa's besteed. 'Moet Gerrit Komrij weten dat een proton uit drie quarks bestaat? Moet Gerard Reve de stelling van Gleason begrijpen? Moet Hella Haasse de argumenten van Hawking kennen voor de kosmologische beschermingshypothese?'

Waar het Maandblad vaak goed is in dit soort essayistische stukken, leidt de hang naar actualiteit in de literaire fragmenten vaak tot een voorkeur voor een soort neo-realisme, een manier van schrijven die te makkelijk leidt tot epigonisme van de laatste succesauteur. Ik word nu al droevig van alle Voskuil-volgelingen die de komende jaren de boekhandel zullen bereiken - een verschijnsel dat je al ziet aangekondigd bij het verhaal 'Welwillende aandacht' van Arjaan van Nimwegen. Ook hier een kantoor, ook hier vervelende collega's, ook hier veel onbegrip - het enige verschil met Voskuil is dat Van Nimweegen binnen tien bladzijden tot een soort plot weet te komen. Dan liever Arnon Grunberg met de tweede aflevering van zijn nogal hilarische 'Ontmoetingen met Pierre P. van der Velde' - de Nederlandse consul voor cultuur in New York, die hij beschrijft in zinnen als: 'Naarmate de verschijningsdatum van Blue Mondays dichterbij kwam, begon de heer Pierre P. van der Velden mij ook thuis op te zoeken.' - daar zou Piet Grijs vast niet veel moeite mee hebben.

Ook in dit nummer neemt het Hollands Maandblad weer een prettige positie in tussen de opinie-weekbladen en de literaire tijdschriften. Het enige echte nadeel aan het blad, de vaak nogal ronkende stukken van de redacteuren, neem je dan ook voor lief: het Hollands Maandblad weet literatuur een gevoel van urgentie mee te geven.