Jenufa: schrijnende, hartverscheurende opera

Voorstelling: Jenufa van L. Janácek door de Nederlandse Opera en het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart m.m.v. o.a. Gwynne Geyer, Pauline Tinsley, David Kuebler, Peter Straka en Kathryn Harries. Decor en kostuums: Antony McDonald; regie: Richard Jones. Gezien: 1/6 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen t/m 26/6. Tv-opname voor uitzending in 1998.

Jenufa van Leos Janácek, waarmee de Nederlandse Opera onder leiding van Edo de Waart deze maand een bijdrage levert aan het Holland Festival, is wel het hartverscheurendste werk van het operarepertoire. Geen ander verhaal snijdt mij zó door de ziel als dat van Jenufa. Ook koorleden van de Nederlandse Opera stonden bij de repetities voor Jenufa aan het slot soms met tranen in de ogen op het podium. Na een seizoensopening met de moord op de moeder in Strauss' Elektra, wordt het operajaar besloten met de dood van een kind van acht dagen, een weloverwogen moord, omdat die uiteindelijk het beste zou zijn voor iedereen.

Eerst wordt het gezicht van Jenufa met een mes verminkt door Laca, haar afgewezen minnaar. Dan baart zij, onopgemerkt door de buitenwereld, het kind van haar geliefde Steva, die haar laat zitten. Jenufa's pleegmoeder Kostelnicka koppelt haar dan toch aan Laca. Ze verdrinkt het kind onder het ijs, om Laca niet de stiefvader te laten worden van de zoon van zijn rivaal en om Jenufa de publieke schande te besparen van het ongehuwde moederschap.

Op de lentedag van Jenufa's huwelijk met Laca wordt haar kind gevonden onder het smeltende ijs. Dan legt de pleegmoeder uit dat ze het beste met Jenufa voorhad toen ze haar kind verdronk: het was beter af bij God dan bij de mensen. Jenufa brengt begrip op voor Kostelnicka en neemt haar in bescherming tegen de wraakzuchtige buitenwereld.

Het gruwelijke verhaal van Jenufa wordt vaak afgedaan als typerend voor het verleden en de bekrompenheid van een gesloten plattelandsgemeenschap. Toch is het verhaal over de wisselende betekenis van kinderen voor ouders en anderen van alle tijden - het was mutatis mutandis de afgelopen weken aan de orde bij het nieuws over het Nederlandse echtpaar en de Britse draagmoeder, die eerst loog het kind te hebben laten aborteren en het vervolgens nog ongeboren doorverkocht aan nieuwe 'ouders'.

De Britse regisseur Richard Jones vertelt het schrijnende relaas van Jenufa in een aangrijpende voorstelling, die het publiek bijna onverdraaglijk direct betrekt bij dit intieme grenzeloos diepe leed, dit 'schreien in een tranendal'. Het 'postmoderne' toneelbeeld met bewegende vlakken varieert van bijna abstract tot vrijwel naturalistisch, van onbegrensde wijdsheid tot benauwende opgeslotenheid; de kostumering plaatst het verhaal in de ontstaanstijd (1894-1903) en in Tsjechische sfeer op de grens van folkloristische traditie en moderne industrialisering.

Uiteindelijk is dat alles slechts bijzaak en gaat het om de uitbeelding van het aan alle kanten wringende leed, dat in de afwisselend schril krijsende en berustend vergevingsgezinde muzikale klankwereld van Janácek kras na kras in de ziel kerft. Het allerergste wordt de toeschouwer visueel nog enigszins bespaard: in het slotbeeld zien we de menigte de armen heffen om Jenufa en Laca te stenigen - dan is daar het donker van hun dood.

Zó involverend is Jenufa met een reeks onvoorstelbaar harde onderlinge confrontaties, dat de zangers nog veel meer dan in ander repertoire niet anders kunnen dan zich tenvolle emotioneel identificeren met hun rol. Dat inleven leidt ertoe dat acteren en zingen hier volkomen samengaan met de enscenering en de orkestrale vertolking.

Edo de Waart, die deze week officieel zal worden benoemd tot de toekomstige chef-dirigent van de Nederlandse Opera, leidt hier het Radio Filharmonisch Orkest waarvan hij chef-dirigent is. De Waart en zijn uitstekend spelende orkest halen hetzelfde zeer hoge niveau dat zij hier eerder in Massenets Werther vertoonden: een muzikale uitbeelding en onderstreping van de handeling die de zaal zonder een moment van spanningsverlies in de greep houdt.

Dat leidt tot een buitengewoon sterke voorstelling zonder objectieve muzikale of vocale esthetiek, met uitsluitend maximaal subjectieve en betrokken vertolkingen, die de personages op exemplarische wijze profileren en het verhaal van Jenufa onuitwisbaar in de geest etsen.

Dat begint bij de grootmoeder van Pauline Tinsley, nog levendig in de herinnering door haar fenomenaal expressieve rollen in Elektra en Macbeth bij de Nederlandse Opera in de tijd van vóór het Muziektheater. David Kuebler overtuigt als de holle charmeur Steva, Peter Straka is een Laca met een exuberante pathetiek. Jenufa is in de vertolking van Gwynne Geyer in alle opzichten de lijdzame de goedheid zelve, een evenbeeld van Maria, tot wie zij bidt, haar zuster als mater dolorosa.

De pleegmoeder Kostelnicka heeft de echte hoofdrol. In de vertolking van Kathryn Harries verandert ze van een onverzettelijke moraliste tot een gedemoraliseerd, maar zich schuldig voelend wrak, dat niettemin - of juist daarom - deernis opwekt, van Jenufa èn van de verbijsterde toeschouwer.