Het zijn net drijvende doodskoppen

Met zeilboot en tent trekt Rob Biersma langs de Waddeneilanden. Hij doet hier wekelijks verslag van zijn tocht over water en land. 'Door de zeehonden en de juttertjes is het ijs gebroken en begint iedereen te praten.'

Als ik wakker word tikken er druppels op de tent. Ik heb nog wel een uurtje, voordat ik naar de boot naar Vlieland moet, maar ik ben uitgeslapen en besluit de tent van binnenuit af te breken. Eerst alle bagage in de rugzak en dan de binnentent weg, terwijl het buitendak nog staat. Het is een heel gekruip en als de regen op lijkt te houden, gooi ik de buitentent er toch maar af. Maar op dat moment begint het juist weer te regenen en alles wordt nat.

Ik heb er de pest in als ik naar de boot loop. Het is een klein uur naar de steiger en langs de eenzame dijkweg kom ik niemand tegen. Alleen een busje van Kindertandzorg Texel rijdt me voorbij, me eraan herinnerend dat de beschaving hier niet ophoudt. Als ik bij de steiger kom, ben ik de enige. Het is een zelfgemaakte constructie van palen en drijfhout, die naar een ponton voert. De veerboot 'De Vriendschap', een verbouwd motorvrachtschip, bouwjaar 1927, deint er vriendelijk, maar druipnat naast. Geen kip te zien.

Ik doe mijn rugzak af en ga op een strandstoel onder een rieten afdakje zitten. Het miezert en na een poosje begin ik te huiveren. Ik laat mijn rugzak liggen en ga eens kijken of strandpaviljoen Vliezicht al open is. En zowaar, er zit zelfs al een andere passagier. Ik neem een kop koffie en vraag hongerig of ze een uitsmijter hebben. Maar dat kan zo vroeg nog niet.

Mijn medepassagier is een vrouw van in de vijftig, die Vlieland een dagje gaat bezoeken. Ze is als klein kind op het eiland geweest en gaat kijken of ze zich nog wat herinnert. “Vroeger”, zegt ze, “ging er uit Harlingen geen aparte boot naar Vlieland. Een klein bootje voer de grote boot naar Terschelling tegemoet. Passagiers voor Vlieland moesten op zee overstappen.” Haar moeder vond het doodeng, herinnert ze zich nog.

Langzamerhand druppelen meer passagiers binnen. Oudere echtparen, enkele ondefinieerbare vijftigers en een jong stel met een kinderwagen. Als we aan boord gaan, blijkt de boot vol te zitten met een groepje vrolijke zwakbegaafden. De kinderwagen moet onderdeks en na een hoop gewurm maakt de boot los.

Er blijkt een forse stroom te staan. Sil Boon, de schipper, stuurt de boot in een vreemde zigzagkoers naar de overkant. Hannes, de matroos, verkoopt onderwijl koffie en schenkt royaal Texelse 'Juttertjes', een lokale kruidenbitter die naar mijn oordeel sprekend lijkt op Vlaardingse Schelvispekel. Hannes, die op zijn klompen goed uit de voeten kan op het smalle gangboord, legt uit waarom we zo'n zigzagkoers varen. Er liggen tussen Texel en Vlieland onbetonde zandbanken die je bij hoogwater niet ziet. “Let maar eens op als we vanavond terug gaan.” De meeste passagiers hebben een retourbiljet.

Plotseling duiken er twee koppen op uit het water: zeehonden! Er gaat een golf van opwinding door de boot en het gemiezer op het open dek is gelijk vergeten. De zeehonden zijn zeker zo geïnteresseerd in ons als wij in hen en turen bijziend naar ons bootje. Ze duiken onder maar verschijnen weer, nu dichterbij. Met het blote oog zijn het net drijvende doodskoppen, maar door de verrekijker blijken het lieve, schrandere dieren. Dan verdwijnen ze onder water, definitief.

Door de zeehonden en de juttertjes is het ijs gebroken en iedereen begint met elkaar te praten. Mijn buren zijn in de jaren vijftig geëmigreerd naar Amerika en reizen nu een paar weken door Nederland. De opwinding over de zeehonden kunnen ze niet helemaal volgen, maar het primitieve gedoe aan boord van 'De Vriendschap' (de folder rept van 'avontuur en romantiek') spreekt hen wel aan.

We bereiken de Vliehors, de uitgestrekte zandvlakte die de westelijke helft van Vlieland vormt. Door de kijker zie ik tanks en schiettorens. De hele Vliehors is militair oefenterrein. Over een wankele steiger worden we in de overdekte laadbak van een vrachtwagen geperst. Het is de 'Vliehorsexpres', een terreinvoertuig met een schier oneindig aantal versnellingen. Hoe hard we gaan, valt nauwelijks te bepalen, want alles om ons heen is zand. Na een kwartiertje hotsen-botsen beklimt de wagen een steil duin en plotseling zijn we bij 'Het Posthuys'. Eindpunt, zegt de bestuurder en zet een ladder tegen de laadbak. De passagiers lopen stram naar de huurfietsen. Ik hang mijn rugzak om en loop de Postweg op. Het begint net weer te regenen.