BART GRUSON OVER De danzón

Sugar & Spice, onderdeel van het Holland Festival, biedt van 12 t/m 20/6 in de Grote Zaal en de Marmeren Hal van het Amsterdamse Tropeninstituut zes concerten met Caraïbische muziek. Uit Cuba op 18/6 Estudiantina en op 19/6 Orquesta Aragón met het Rotterdams Conservatorium Orkest, vooraf een lezing van Bart Gruson. Rotterdam Conservatory Orquesta Tipica: Cuba Contradanzas & Danzones (Nimbus 5502). Een charanga-cd verschijnt in het najaar. Op 6/6 speelt het Rotterdamse orkest in het Utrechtse RASA de muziek van de Cubaanse zanger/bandleider Beny Moré - 14/6 in het NPS-programma Radio UIT (Radio 5, 17.05u).

“Charanga betekent eenvoudig 'klein orkest', wat er wordt gespeeld is de danzón. Dat de orkesten aan het eind van de 19de eeuw kleiner werden komt volgens de directrice van het Nationaal Muziek Museum in Havana door een enorme economische opbloei. Rijke dames uit Europa die 'Las Francesas' werden genoemd, investeerden in chique Cubaanse bordelen. In die entourage werden de orkesten uitgekleed tot een man of vier: piano, fluit, viool en kleine percussie.

Bart Gruson (46) studeerde af als socioloog maar zat al snel volop in de muziek. Na de 'free jazz' ontdekte hij de merengue die gemaakt leek voor zijn altsaxofoon. Hij ging op zoek naar de roots in de Dominicaanse Republiek, richtte het orkest Cita con el Pasado op en maakte in '90 de cd A Taste of Merengue. Gruson gaf ensemble-lessen op het Rotterdams Conservatorium, waar hij nu coördinator en plaatsvervangend hoofd is van de afdeling wereldmuziek. Het Holland Festival brengt 'Contradanzas & Danzones', waaraan Gruson met Daniel Guzmán in Havana een jaar heeft gewerkt.

“Er is veel materiaal verloren gegaan en van hetgeen wel boven water kwam - het oudste stuk is van 1805 - moest het meeste grondig worden gerestaureerd. Het is dus een muziek-archeologisch project. Maar voor mij is het als toegepaste etno-musicologie pas helemaal geslaagd als we er in Cuba een keer mee kunnen optreden.

“De contredanse werd aan het eind van de 17de eeuw door landadel uit het zuidwesten van Frankrijk, Hugenoten waarschijnlijk, meegenomen naar Haïti, toen nog Saint-Domingue. Ze hadden daar niet alleen slaven voor het land en het huishouden maar ook voor muziek, een soort 'hofmusici'. Na de opstand van 1791 vluchtten deze suikerrietplanters, vaak met hun huisslaven, het land uit, voor een deel naar het oosten van Cuba.

“Daar kreeg de 'contradanza criolla' (creools) die aanvankelijk een binaire vorm had (AB-AB), gaandeweg een rondo-karakter: AB-AC-AD enzovoort. Soms werd zo'n tweede deeltje vaker gespeeld. Dat kon best iets uit De barbier van Sevilla of een stukje Mozart zijn, die planters kwamen immers niet van de straat. Een hele opera vonden ze te lang maar voor een stukje cultuur in hun 'clubes sociales' wilden ze best betalen. De musici, meestal zwarten of 'mulatos', konden er doorgaans goed van leven.

“De term danzón kwam in zwang toen de contradanza als slot de 'estrabillo' van de landelijke son ging gebruiken, een soort vraag-en-antwoordzang die je nu nog hoort bij salsa-orkesten. De chachachá uit de jaren '40 en de snelle mambo van tien jaar later zijn danzones met een modieus accent. Er bestaan op Cuba nog drie traditionele contradanza-orkesten maar voor de jeugd is het volslagen passé. Orquesta Aragón doet erg zijn best de jeugd te bereiken, dus het zal het ook in de Marmeren Hal van het Tropeninstituut wel lukken. Waarbij men hopelijk niet vergeet: bij charanga dans je de danzón.”