Eerst de handel, dan de moraal

Sinds het einde van de Koude Oorlog is de buitenlandse politiek ingrijpend gewijzigd. Veiligheid is nog altijd het devies, maar het wordt anders gedefinieerd, aldus Dieter Buhl. Alles draait nu om markten en banen. Staatslieden zijn vooral handelsreizigers geworden.

Buitenlandse politiek ter bevordering van de handel is geen nieuw fenomeen. Wapenexporten waren bijna altijd het resultaat van politieke invloed. De diplomatie is nooit vrij van economie geweest. Waar zij in de klassieke opvatting de eigen belangen veiligstelde tegenover andere staten, bondgenootschappen en internationale organisaties, lette zij ook steeds op de economische voordelen.

Nieuw is wel dat de ambassades in het buitenland de bevordering van de binnenlandse economie steeds openlijker tot hoofddoel verklaren. De publieke opinie houdt zich bezig met de rechten van de mens en de hulpeloosheid rond stammentwisten, maar de fantasie van de buitenlandspecialisten onder de politici wordt steeds meer in beslag genomen door andere uitdagingen: hoe kunnen vreemde markten worden ontsloten en investeringen in eigen land worden binnengehaald?

Het trefwoord voor de omslag heet globalisering. Zij neemt in de hoofden van politici steeds duidelijker de plaats in die vroeger werd ingenomen door militaire dreigingen. Alleen wordt er over het wel en wee van naties niet meer beslist in wapenwedlopen of ideologische confrontaties, maar op de wereldmarkt.

Nu dit zich voortzet, is er steeds minder schroom om kleur te bekennen. Uitgerekend de Amerikaanse president heeft dit het helderst en het eerst omschreven. “Wij hebben onze economische concurrentiekracht in het hart van onze buitenlandse politiek verankerd”, zei Bill Clinton drie jaar geleden al in zijn begrotingstoespraak.

Sindsdien staat de president erop dat zijn buitenlandse politiek alleen wordt bepaald door Amerikaanse belangen en niet door de geest van moeder Theresia. Als er al een Clinton-doctrine is, dan komt zij het duidelijkst tot uiting in de grimmige toon van het economische offesief van Washington. Het 'commandocentrum' op het ministerie van Handel volgt de honderd belangrijkste economische projecten op aarde om de kansen voor Amerikaanse bedrijven te verkennen. Behalve de Nationale Veiligheidsraad die de president informeert over de geopolitieke situatie, heeft Clinton een nationale economische adviesraad in het leven geroepen.

In de economisering van de buitenlandse betrekkingen past ook de prioriteitenlijst die de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken van de VS Madeleine Albright heeft opgesteld. Bovenaan staat de stabiliserende invloed van de diplomatieke en militaire aanwezigheid van Amerika in de wereld, onmiddellijk gevolgd door “het stimulerende effect van onze economische betrekkingen”, en pas aan het eind wordt de “beïnvloeding door onze idealen” genoemd. Clintons voorgangers hebben, bij alle drang naar nieuwe markten, dikwijls een idealistische rangorde aangebracht.

Ondertussen is ook in de buitenlandse activiteiten tot prioriteit verheven wat in de Amerikaanse verkiezingsstrijd al lang wet is: “De economie, domoor”. Bill Clinton maakt er geen geheim van dat hij het buitenland liever Boeings en telefonie-netwerken aanbiedt dan de paciferende aanwezigheid van mariniers of Amerikaanse values. Tot het succes van zijn doctrine hebben tot dusver meer dan tweehonderd handelsovereenkomsten bijgedragen die in de VS 1,6 miljoen banen zouden hebben opgeleverd.

Niet alleen de binnenlandse politiek heeft baat bij de economische inspanningen van politici. Ook het prestige van de staat profiteert ervan. Uiteindelijk berust nationale kracht allang niet meer op het wapenarsenaal. Macht onderscheidt zich tegenwoordig op een andere manier, die tot uitdrukking komt in statistieken van economische groei, werkgelegenheid, vindingrijkheid, produktiviteit.

In de globaliserende economie hangt welvaart steeds meer van internationale ontwikelingen af. Wat ligt er dan meer voor de hand dan met alle middelen te proberen in het buitenland een economische voorsprong te krijgen?

Wie wil beweren dat in begeerde groeiregio's als Azië. Latijns Amerika en Oost-Europa alleen de wetten van de markt regeren (om van de mensenrechten maar te zwijgen)? Allerlei vormen van politieke beïnvloeding spelen in het zakendoen allang een rol. En dat zal niet minder worden, want daartoe zijn de internationale gremia niet bij machte. De OESO vecht moeizaam tegen omkoping in de internationale handel. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft zich tot dusver met weinig succes ingezet voor transparantere banenplannen van de nationale overheden en tegen exportsubsidies. En de Europese Unie kan er evenmin prat op gaan hoeder van de vrije markt te zijn, want bij hinderlijke concurrentie grijpt zij zelf naar rabiate methoden.

Europa's regerende klasse hoeft zich met haar politieke marktoffensief niet achter de Amerikanen te verstoppen. Vooral Thatcher heeft naam gemaakt als chefverkoopster. Haar overheidsbureau voor marketing blijft een pijnlijke herinnering. “We zouden gelukkig zijn”, zei ze ooit bij een staatsbezoek aan Saoedi-Arabië, “als we meer pantservoertuigen konden leveren. Wij zouden meer opdrachten willen hebben.” Dat daarvan niet alleen haar land, maar ook haar zoon profiteerde, wekte zelfs in Klein-Azië verwondering.

Thatchers opvolger wierf discreter voor de Britse economie, maar toch heeft de handelsgeest van de koopmansdochter in het Britse regeringscentrum Whitehall veel epigonen gekregen. Zo staat in een witboek van de regering-Major: “Om onze nieuwe kans als florerende wereldhandelsnatie optimaal te benutten, moeten de buitenlandse politiek en de handelspolitiek in toenemende mate met elkaar worden verbonden”. De nieuwe Labour-minister van Buitenlandse Zaken sluit naadloos aan bij deze koers wanneer hij vaststelt dat in onze tijd de welvaart op handelsakkoorden stoelt.

Ook de Franse president Chirac kan zich op een lange traditie beroepen wanneer hij bij staatsbezoeken reclamemateriaal van de vaderlandse industrie meesleept. “Ik ga daar Franse produkten te verkopen”, bekent Chirac openlijk, terwijl hij pocht over de Franse banen die hij op zijn verkoopreizen zou hebben gered. In deze stijl past ook de donderpreek die premier Alain Juppé op een bijeenkomst van diplomaten afstak over de “half-mondaine, half-literaire ambassadeurs” van zijn land. Kenmerkend voor het 'economane' tijdsgewricht is de vraag wie nu het meest aan beroepsdeformatie lijdt: de premier of de diplomatie?

Op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn hoeft niemand zich over ouderwetse opwellingen van diplomaten op te winden. Zij zijn allang afgericht op handelsbevordering. Eventuele scrupules drukt de kanselier meteen de kop in. Wanneer hij met veel ondernemers in zijn gevolg op reis gaat of wanneer een wereldmacht als Brunei haar opwachting maakt, wordt meteen duidelijk wat het doel van de buitenlandse betrekkingen is: kansen creëren voor het Duitse bedrijfsleven. Grote opdrachten bij staatsbezoeken doen kritische stemmen verstommen - bij voorbeeld van managers die de overheidsbemoeienis dikwijls helemaal niet nodig hadden, of van belastingbetalers die maar al te vaak moeten meebetalen aan de verkoopsuccessen in het buitenland.

“Het succes komt nu eenmaal niet uit de lucht vallen.” Zo verdedigt een hoge functionaris in Bonn de exportbevordering. Het hoofd economische zaken op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn omschrijft zijn depertement inmiddels als een servicebureau voor het bedrijfsleven. Illustratief noemt hij, dat de juristen bij Buitenlandse Zaken in de meerderheid waren toen hij in dienst trad. Nu is dat anders. Niet alleen moet iedere nieuwkomer drie maanden stage lopen bij bedrijven of hun belangenorganisaties, ook houdt de helft van de hogere ambtenaren zich inmiddels met het bedrijfsleven bezig.

Zo heeft de vroegere koningsdiscipline van de politiek zich ontwikkeld. De diplomaten gaan niet meer alleen de politieke verwikkelingen in de wereld ter harte. Ze hoeven nog maar zelden - militaire - coalities te smeden of te verijdelen. De diplomatie is geen schaakspel meer waarin “volkeren mat worden gezet”, zoals ten tijde van Karl Kraus. Het gaat om profanere dingen.

Is het dan geen teken van vooruitgang dat de buitenlandse politiek nu om investeringen en exportkansen draait, in plaats van om oorlog en vrede? Het antwoord zou makkelijker zijn wanneer het er overal op de wereld rechtvaardig en humaan aan toe ging. Zolang echter in veel landen foltering en fanatisme, terreur en agressie heersen, mag buitenlandse politiek niet alleen een instrument van waardevrije belangenbehartiging zijn. Handel kan dikwijls een zegen zijn voor onderdrukte volkeren. “Het aanknopen van economische betrekkingen”, beweert Klaus Kinkel, “leidt onvermijdelijk tot politieke liberalisering.” Maar uitzonderingen als Koeweit of Saoedi-Arabië hoeven de regel niet te bevestigen. Nauwe zakelijke betrekkingen en economische voorspoed hebben ook elders niet automatisch democratie gebracht.

Zelfs de meest pragmatische Westerse politicus op het terrein van de internationale betrekkingen voelt het spanningsveld tussen de mensenrechten en economische belangen. Hij kan ook niet terugvallen op Bismarcks principe van een “verstandige Duitse politiek”: “... dat de andere landen worden geregeerd al naar gelang hun behoefte en belang”. In Global Village moet men positie kiezen. Tegenwoordig is de kunst van de buitenlandse politiek deze positie te beschermen en tegelijkertijd tot zaken te komen. Maar geen van de economische grootmachten beheerst deze vaardigheid overtuigend. En dat is verklaarbaar, want vastberaden trouw aan principes zou op een economisch isolement uitdraaien.

Omdat de tegenstelling tussen idealistische en realistische politiek vaak niet te overbruggen is, rest slechts het compromis. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn vond deze middenweg: “Het heeft geen zin op de naleving van mensenrechten aan te dringen in een land waar we geen invloed hebben. En invloed krijgt men ook door economische betrekkingen”. Voor de Bondrepubliek, met haar beperkte invloed op de geopolitieke hefboom, is deze conclusie helder, zolang het aanhalen van deze betrekkingen niet gepaard gaat met verraad aan grondbeginselen. Maar blijft Bonn standvastig als men voor keus staat tussen universele mensenrechten en economische meerwaarde? China en Iran zijn voorbeelden van het morele schemergebied waarin de politici zich bewegen.

Zelfs als de handel niet voor de moraal komt, schuilen in een buitenlandse politiek ter bevordering van economische belangen genoeg risico's. Zij kan aanbieders verleiden tot gevaarlijke politieke concessies en politieke prijzen waarvoor de schatkist moet opdraaien. Regeringen die zich als handelsreizigers gedragen provoceren een uitverkoop van waarden en verpesten zijn marktcultuur. Waartoe de exportobsessie kan leiden, merkte nog onlangs het Witte Huis. Aziatische zakenlui waren daar graag geziene gasten, niet alleen als sponsor van de verkiezingscampagne, maar ook wegens de aantrekkingskracht van hun thuismarkten. Nu wordt de president ervan beschuldigd internationale politieke invloed te hebben opgeofferd aan economische kansen.

Zulke risico's bestaan overal waar representanten van staatsmacht handelsreizigers worden. Maar de economisering van de wereldpolitiek valt niet meer te stoppen. Na de Koude Oorlog domineert de strijd om markten. Die wordt weliswaar met civiele middelen uitgevochten, maar ook zij beslist over het lot van volkeren. Daarom marchanderen zelfs presidenten, kanseliers en ministers van Buitenlandse Zaken op de wereldbazar. Waar de angst voor banen tot de cruciale factor uitgroeit, is het streven naar werkgelegenheid nationale plicht. Zelfs wanneer daarbij de waardigheid en de waarden van een land gevaar lopen.