De harde klap van het vergeten

BIJ DE INGANG van de Revalidatie Scholengemeenschap Arnhem (RSA) rijden de leerlingen af en aan. Sommigen zijn gemotoriseerd, anderen bewegen de wielen van hun rolstoel met de hand voort.

Schooltassen hangen aan de wagens. Tussen deze zichtbaar gehandicapte jongens en meisjes lopen ook leerlingen met wie zo op het eerste gezicht niets aan de hand lijkt te zijn. Hun handicap zit in hun hoofd, onzichtbaar voor de buitenwereld. Ze behoren tot de groep leerlingen van de RSA die een niet-aangeboren hersenletsel heeft. In ongeveer negentig procent van de gevallen is dit hersenletsel veroorzaakt door een verkeersongeluk.

De afgelopen jaren is er op deze Arnhemse scholengemeenschap voor speciaal voortgezet onderwijs aan jongeren met een lichamelijke handicap, verbonden aan revalidatiecentrum Groot Klimmendaal, steeds meer aandacht gekomen voor de specifieke problemen van leerlingen met een niet-aangeboren hersenletsel. Hun aantal groeit omdat de toenemende medische mogelijkheden de levenskansen van verkeersslachtoffers vergroten. En met de groei van het aantal leerlingen is ook kennis over hun handicaps toegenomen. Van de 230 leerlingen die de RSA telt hebben ongeveer 25 een op latere leeftijd opgelopen hersenletsel. Daarnaast krijgen tien leerlingen met een dergelijk letsel die op gewone scholen zitten extra begeleiding vanuit de RSA. Voor ongeveer twintig oudere jongeren met hersenletsel die klaar zijn met school biedt de scholengemeenschap nog twee trainingsgroepen die er op gericht zijn de stap naar werk en zelfstandig wonen te vergemakkelijken. In deze groepen leren de jongeren strategieën aan om zo goed mogelijk met hun handicaps te leven. Omdat ook de ouders een belangrijke rol spelen, worden er speciale oudercursussen georganiseerd door de RSA. Wat kunnen en wat mogen ze verwachten van een kind met hersenletsel, tegen welk gedrag kunnen ze aanlopen en hoe kunnen ze daarop reageren?

Hoe aangepast en kleinschalig het speciaal onderwijs op de RSA ook is, het bleek niet ideaal te zijn voor leerlingen met hersenletsel. Deze hebben veelal flinke concentratieproblemen en aandachtstoornissen, vaak een slecht functionerend korte-termijn-geheugen, terwijl ordening en planning ze buitengewoon veel moeite kost. Stuk voor stuk zaken die essentieel zijn bij het aanleren van iets nieuws. Omdat deze jongeren verbaal meestal wel goed ontwikkeld zijn en slim zijn geworden in het camoufleren van hun handicaps, is het niet makkelijk om er achter te komen waar de schoen precies wringt. “Het allergrootste probleem is misschien wel dat je aan de buitenkant niets ziet”, zegt Wim Ludeke, directeur van de RSA. “Na het ongeluk zijn ze lichamelijk goed hersteld. Ze hebben hun spraak weer terug, ze kunnen weer lopen. Alles lijkt goedgekomen te zijn en ze proberen het oude leven weer op te pakken. Maar dan blijkt dat het allemaal niet meer zo makkelijk gaat als voorheen. Ook emotioneel niet.”

In de eerste twee klassen van VBO en MAVO van de Revalidatie Scholengemeenschap is een groot deel van deze leerlingen bij elkaar in een groep gezet. Omdat ze veel behoefte hebben aan structuur en duidelijkheid hebben ze een vast lokaal en een vaste docent gekregen. Om de concentratie te bevorderen is het lokaal in een rustige hoek van de school gesitueerd. Als er lessen door vakleerkrachten worden gegeven zoals bij techniek of verzorging, blijft de vaste docent aanwezig. Iedere leerling ontwikkelt zijn eigen strategieën om ondanks een slecht korte-termijn-geheugen en gebrekkige concentratie toch het schoolleven zo normaal mogelijk te laten verlopen. Het consequent gebruik van een agenda behoort daartoe evenals het maken en regelmatig doorlezen van aantekeningen en het vlak voor een repetitie herhalen van de leerstof. Alle docenten van de RSA hebben zich de afgelopen jaren bijgeschoold op het gebied van niet-aangeboren hersenletsel. Zo ook Gijs de Haardt en Marjan van Dongen, de vaste begeleiders van de 'Come Back-groep'. Acht tot tien jongeren van boven de twintig volgen in deze groep een trainingsprogramma dat op werk en zelfstandigheid is gericht. Eén middag in de week zijn ze te vinden in het kooklokaal, waar ze op een zeer gestructureerde manier leren hun eigen potje te koken. Iedere week staan ze aan hetzelfde keukenblok met hun eigen spullen die allemaal een vaste plek hebben. “In het begin wordt streng gecontroleerd of alles goed staat, later wordt het wat losser”, vertelt Gijs de Haardt. Vandaag hebben de jongeren nasigoreng gekookt. Docente Marjan van Dongen beoordeelt het resultaat. “De rijst is mooi droog geworden”, zegt ze tegen een van de jongens. “Je moet alleen wel oppassen met het aanbranden van de uien.” En als algemene raad geeft ze: “Nooit weglopen als je pannen op het vuur staan.” Een van de jongens maakt hier ijverig aantekening van. “Dat zou hij een jaar geleden niet hebben gedaan”, zegt De Haardt. Deze jongen had toen absoluut nog niet het besef dat veel niet meer automatisch op de 'harde schijf' terecht kwam. “Als je dat inzicht eenmaal hebt ben je al een flink eind op weg naar acceptatie van je handicap”, denkt De Haardt.

Ook de dertienjarige Marjolein kampt met een geheugen dat niet meer zo goed is als voor het verkeersongeluk dat haar acht maanden geleden op de intensive care van het ziekenhuis deed belanden. Ze was toen net begonnen in de tweede klas. Na het ziekenhuis kwam ze in revalidatiecentrum Groot Klimmendaal terecht, van waaruit ze nu de RSA bezoekt. Marjolein heeft één groot doel voor ogen: ze wil komend schooljaar terug naar haar oude school. Ook haar ouders willen dat het liefste. “Ik heb hier geleerd alles goed in mijn agenda te schrijven zodat ik het niet vergeet”, vertelt ze. “En als ik een proefwerk moet leren doe ik dat vlak ervoor. Maar het is wel lastiger met een slecht geheugen”, moet ze toegeven. Marjolein denkt niet dat ze het gered zou hebben als ze direct naar haar oude school zou zijn teruggegaan. “Hier heb ik geleerd hoe ik het beste kan leren.” Haar vaste docent Joost van 't Oever vindt dat Marjolein gesteund moet worden in dit streven en als ze terug is op haar oude school extra begeleiding moet krijgen vanuit de RSA. Toch heeft hij inmiddels ook al veel leerlingen met een niet-aangeboren hersenletsel zien mislukken in het reguliere onderwijs. “Het is geen onwil van de scholen”, denkt hij, “maar ze weten niet precies wat deze leerlingen nodig hebben aan rust, ordening en extra aandacht. Een verhaal van twintig minuten in een geschiedenisles of een complexe opdracht kan al tot chaos leiden.” Ook directeur Wim Ludeke is er niet gerust op dat leerlingen met hersenletsel goed terecht komen in het reguliere onderwijs. Ook al wil staatssecretaris Netelenbos dat nog zo graag. “Voor rolstoelers kun je makkelijk aanpassingen maken, maar bij deze groep zie je niets en dat leidt snel tot onbegrip. Niet alleen bij docenten maar ook bij medeleerlingen.”