Stinkend terug van de Noordpool

Op 20 mei bereikten vier Nederlanders na een voet- en skitocht van zeventig dagen de Noordpool. Gisteren keerden ze terug op Schiphol.

SCHIPHOL, 30 MEI. Nadat Marc Cornelissen, Hans van der Meulen, Edmond Öffner en Wilco van Rooijen waren opgehaald van de pool voerde de eerste vlucht hen naar Eureka in het uiterste noorden van Canada. Daar bemannen enkele mensen in alle eenzaamheid een weerstation. De poolreizigers konden er wel wat te eten krijgen, onder één voorwaarde: eerst douchen. De geur van vier mannen die zich zeventig dagen niet hadden gewassen was niet te harden, zelfs niet voor mensen die gewend zijn ver van de beschaving te vertoeven.

Enkele dagen later staan de vier in schone kleren op Schiphol, in gezelschap van de vijfde poolloper, Cas van de Gevel, die de tocht wegens rugklachten moest staken, en de drie expeditieleden die het basiskamp bemanden. Met bruinverbrande koppen en wat restanten van bevriezingsverschijnselen.

De verwachting was dat het eerste stuk van de tocht, van Ward Hunt Island, het noordelijkste puntje land in Canada, tot aan de eerste bervoorrading het zwaarste zou zijn. Daar, in de shear zone, kruit het op het land botsende ijs tot metershoge wallen op. “We hebben wel eens drie kwartier gedaan over honderd meter”, verhaalt Cornelissen. “Een sleetje met zijn vieren erdoorheen duwen, dan terug om het volgende sleetje te halen.” Volgens de rapporten die de expeditie had bestudeerd zou dit moeilijk begaanbare terrein na de 84ste breedtegraad voorbij zijn. “We dachten, nu komen de grote velden”, zegt Van der Velden, “nu gaan we kilometers maken. Nou, dat is nooit gebeurd, alleen de laatste drie dagen.” Bij de eerste bevoorrading kon Van de Gevel niet meer verder, hij vloog terug. De rest ging door. “Het duurt een hele tijd eer je met zijn vieren alles net zo samen doet als eerst met zijn vijven”, legt Cornelissen uit. Ondertussen werd het terrein wel anders, maar niet echt beter: ze kwamen steeds meer scheuren in het ijs tegen. De grootste van de vier sleden werd daarbij als brug gebruikt. Boven de 86ste breedtegraad stond een krachtige westelijke stroming en het woei hard uit dezelfde richting. Dat zorgde er voor dat het zeeijs permanent naar het oosten afdreef. Cornelissen: “We dreven in een nacht soms verder naar het oosten dan we op een dag naar het westen konden lopen.” In totaal dreef de expeditie 113 kilometer uit de koers. Nadat ze dagenlang vergeefs hadden geprobeerd de drift met een noordwestelijke koers te corrigeren, besloten ze uiteindelijk maar gewoon pal noord te lopen. Dat hielp.

Na de tweede bevoorrading schoot het harder op. Wel stuitten ze op steeds meer open water. Er lagen zelfs zeehondjes. “Heel schattig”, zegt Cornelissen, “maar het geeft wel aan dat het lente wordt. Dat is niet leuk.” Ze stuitten op zulke grote stukken open water dat ze de grootste slee als bootje moesten inzetten om afstanden van soms wel tientallen meters te overbruggen. Dat was tevoren geoefend, maar toch eng. Het water is kilometers diep en letterlijk ijskoud.

Pas de laatste dagen hadden ze 'mooi', vlak terrein. En waren de sleden vrijwel leeggegeten. In de laatste week boekten ze een recorddag van meer dan dertig kilometer.

Voor Marc Cornelissen ging een lang gekoesterde droom in vervulling. Hij begon in 1993 geleden met een plan om per fiets naar de noordpool te gaan. Dat strandde doordat de expeditiebagage voor een oefentocht zoekraakte op een vliegveld. Vorig jaar poogde hij deels per fiets de magnetische noordpool - minder ver weg - te bereiken; die poging strandde op slechte ijscondities. Nu stond hij toch op de pool, en was blij geen fiets te hebben meegenomen: “Fietsen was onmogelijk geweest in dat terrein.”